Onderstaand artikel gaat over de oorlogsmisdadiger Boere. Na een speurtocht heb ik hem gevonden. Boere is één van de leden van het geheime Sonderkommando dat door de Duitsers was opgericht om de aanslagen op NSB’ers met gelijksoortige sluipmoorden te beantwoorden. Boere is momenteel vaak in het nieuws, omdat hij alsnog veroordeeld kan worden.
Dit artikel is in het Rotterdams Dagbad geplaatst. Van de Silbertannemoorden maakte in samen met Jan Louter een documentaire voor de NPS-televisie.
Dankzij het Führererlass
Duitsland beschermde
oorlogsmisdadigers
In 1998 bezocht ik regelmatig het archief van justitie voor dossieronderzoek. Op een dag hield de ambtenaar, die mij terzijde stond, een map achter op zijn schoot. ‘Van wie is dat dossier?’ vroeg ik. Dat mocht hij me niet vertellen. Hij wilde wel kwijt dat het van een ontvluchte oorlogsmisdadiger was, die nu in Duitsland woonde.
Ik vond het vreemd dat ik niet in het dossier van een ontvluchte oorlogsmisdadiger mocht kijken en wilde mede door de geheimzinnige houding van de ambtenaar er natuurlijk meteen achterkomen wie het betrof. Toestemming tot inzage kon ik echter alleen verkrijgen bij de landelijk officier van justitie mr. P.M. Brilman, die als opvolger van mr. De Beaufort belast was met de opsporing van oorlogsmisdadigers uit de tweede wereldoorlog.
Mr. Brilman deed er niet moeilijk over, in tegendeel, hij was verheugd dat iemand belangstelling toonde voor de problematiek waar hij al jaren mee te maken had. Het dossier was van een zekere Heinrich Boere, die als lid van het beruchte Silbertanne Kommando ter dood was veroordeeld. Hij liet me een verslag uit 1984 zien waarin hij de juridische pogingen beschreef om de in Duitsland levende oorlogsmisdadigers, toen nog veertien in aantal, uitgeleverd te krijgen. De Duitse justitie beriep zich op het zogenaamde Führererlass uit 1943, waarmee Hitler had toegezegd dat buitenlanders die in het Duitse leger dienstnamen, voor de rest van hun leven als Duitser beschouwd zouden worden. Waarom de naoorlogse Duitse justitie zich daaraan hield is mij een raadsel, zoals het mij ook bevreemdde dat de Nederlandse regering daar nooit tegen protesteerde. De oorlogsmisdadigers vielen dus onder de Duitse wetgeving. Wel beloofde Duitsland zelf een onderzoek naar met name Boere in te stellen om te zien of hij in Duitsland als oorlogsmisdadiger terecht kon staan. Men kwam echter tot de conclusie dat Boere geen oorlogsmisdadiger was, omdat zijn slachtoffers in de illegaliteit hadden gezeten! Ook hiertegen is door Nederland geen bezwaar aangetekend. Volgens Brilman schoot het ‘juridisch instrumentarium tekort om tientallen jaren na dato nog strafrechtelijk op te treden tegen oorlogsmisdadigers.’
Wat mij ook nog opviel in het verslag was de volgende frase: ‘ De belangrijkste niet-juridische belemmering echter is het feit dat een groot aantal (potentiële) verdachten niet meer getraceerd kan woorden, ondanks vaak uitputtende pogingen daartoe’ .
Dankzij de nieuwe Europese wetgeving, die met enig tegenstribbelen door Duitsland is ondertekend en wat het einde van het Führererlass betekende, kunnen misdadigers als bejaarde alsnog gestraft worden. Het is verbazingwekkend hoe makkelijk Boere de dans voortdurend is ontsprongen, vlak na de oorlog, maar ook nu, nu alle aandacht naar Bikker uitgaat, lijkt het recht geen vat op hem te hebben. Terwijl hij in de verslagen als een van de meest gewetenloze moordenaars naar voren komt. De rechercheurs die hem verhoorden noteerden aan het eind dat hij geen enkel berouw toonde.
Een paar weken later stond ik bij Boere op de stoep. Ik kon hem zo aan de broekriem optillen en de grens over trekken.
Boere is op 27 september 1921 in Duitsland geboren. Toen hij twee jaar oud was verhuisden zijn ouders naar Maastricht waar Heinrich tot 1940 voor zeven gulden per week in een fabriek werkte. Door de Duitse propaganda kreeg hij een pamflet in handen, waarop stond dat hij een cursus kon volgen om bij de politie te komen. In München kreeg hij een opleiding van drie maanden. ‘Ik was door de propaganda zo ver bewerkt dat ik besloot toe te treden tot de Waffen SS.’
In juni 1941 vertrok hij, nauwelijks twintig jaar, naar het front in Rusland.
In december 1942 werd hij vanwege een nierbekkenontsteking afgekeurd voor dienst bij de waffen SS. In Maastricht wendde hij zich tot burgemeester Peeters en vertelde hem dat hij aan het Oostfront had gevochten maar afgekeurd was. De burgemeester bezorgde hem een baantje bij de gemeente als meteropnemer. Daar werkte hij tot hij een oproep kreeg om zich bij het Sonderkommando van Feldmeijer te melden.
Het Sonderkommando was door de Duitsers opgericht om de aanslagen op NSB’ers met gelijksoortige sluipmoorden te beantwoorden.
Waarom besloten de Duitsers de aanslagen van de verzetsbewegingen op NSB’ers te vergelden met sluipmoorden? Misschien waren ze bang dat de bevolking in opstand zou komen als gijzelaars regelmatig ‘officieel’ terechtgesteld werden. Maar wellicht moet men in termen van wraak denken, vooral van de zijde van de NSB, want haar leden vormden steeds meer het voornaamste doelwit van het verzet. In de loop van 1943 richtten de verzetsgroepen zich op de gewone NSB’er, de man op de hoek, die direct gevaar voor de illegaliteit vormde. Er vielen tientallen doden. De angst onder de Nationaal Socialisten werd groot. Ze kregen tenslotte wapens van de Duitsers en konden een schietcursus volgen op de SS-Schule in Avegoor, zodat ze zich konden verdedigen. Maar ze wilden meer; ze wilden gerichte acties tegen het verzet wanneer een lid van hen was vermoord.
De leden van het Sonderkommando kregen te horen dat er niets op papier werd gewerd en dat er nóóit met buitenstaanders over gesproken mocht worden. Dat is niet zo vreemd, want men wist dat de betrokkenen, na een eventueel verloren oorlog, van moord beschuldigd zouden worden. In totaal werden er 54 Silbertanne-moorden gepleegd, waarvan Boere er vijf voor zijn rekening nam.
In juli 1944 kreeg Boere de opdracht samen met Steeman naar Breda te gaan, waar ze de apotheker Bicknese neerschoten.
Op 3 september 1944 voerde hij zijn tweede opdracht uit. Samen met Kromhout, Steeman en Rauwerda moest Boere vroeg in de morgen met spoed zijn burgerkleren aantrekken. Met twee auto’s reden ze naar Voorschoten. Een SD’er vertelde dat een vooraanstaande NSB’er, een zekere Bouw, in Voorschoten was neergestoken. Hij toonde Boere een briefje waarop de namen stonden van Teun de Groot, Bertus van Aken en Frans Kusters. ‘Jullie pakken De Groot en Kusters,’ zei de SD’er.
In de wagen achter hen, waar Steeman met Rauwerda en de andere SD’ers zaten, vond een dergelijk gesprek plaats. Zij reden naar het huis van Van Aken.
Boere en Kromhout raakten de weg kwijt. Ze moesten stoppen en de weg vragen naar de Schoolstraat waar De Groot woonde. Nadat ze bij hem aangebeld hadden, verscheen het gezicht van De Groot door het luikje in de voordeur.
‘Politie,’ zei Boere.
‘Kunt u zich legitimeren?’ vroeg De Groot.
Boere toonde zijn papieren, waarop De Groot hen binnen liet en zich verontschuldigde omdat hij in zijn ondergoed liep. ‘Mijn vrouw ligt in het ziekenhuis.’ Boere reageerde niet. ‘Mag ik uw persoonsbewijs zien?’ vroeg hij. Kromhout bekeek het document, trok zijn pistool en schoot in de borst van Teun de Groot, die nog geen meter van hem vandaan stond. Terwijl De Groot achterover viel, schoot Kromhout weer, maar hij miste. Boere deed een stap naar voren en schoot drie keer. Ook Kromhout schoot van dichtbij nog een paar keer. Ze renden naar buiten, sprongen in de auto en reden naar het huis van Frans Kusters in de Willem de Zwijgerlaan, waar ze om kwart over acht arriveerden.
Mevrouw Kusters opende de deur en zag twee mannen staan, gekleed in een lichte regenjas en een slappe hoed op hun hoofd.
‘Wij zijn van de politie,’ zei Boere. Zijn Duitse accent viel haar op.
‘Kunt u zich legitimeren?’ vroeg ze.
Boere legitimeerde zich met een witte kaart, met op één der hoeken twee wolfsangels van een paarsblauwe kleur.
Ze waarschuwde haar echtgenoot en liet de twee mannen in de woonkamer plaatsnemen. Toen Kusters beneden kwam vroegen ze hem of hij onderduikers in huis had.
‘Nee heren, doch gaat u mee, dan zal ik u mijn huis laten zien,’ zei Kusters.
Ze doorzochten de woning. Terug in de woonkamer vroeg Boere naar het persoonsbewijs van Kusters. Kusters vroeg of Boere zich kon legitimeren. ‘Uw gezicht komt me bekend voor,’ zei hij.
‘U moet met ons mee naar het bureau,’ zei Boere.
‘Ik ga wel met de fiets,’ zei Kusters.
‘Dat is niet nodig,’ antwoordde Boere. ‘We zijn met de auto.’
Hoewel ze opdracht hadden Kusters in huis neer te schieten, konden of wilden ze dat niet doen, omdat mevrouw Kusters aanwezig was en dan zouden ze haar ook moeten neerschieten.
Kusters liep naar boven. Terwijl hij zich aankleedde, schonk mevrouw Kusters een kopje thee in en rookten ze met hun drieën een sigaret.
Boere en Kromhout namen achter in de auto plaats met Kusters tussen hen in. In de Waldeck-Pyrmontlaan stopte de chauffeur en zei dat er iets aan de auto mankeerde. Ze moesten uitstappen. Kusters vertrouwde het kennelijk niet. Hij stapte achter Boere uit, gaf hem een duw en rende weg. Zo liep hij in hun val. Boere schoot. Ook Kromhout vuurde enkele keren. Kusters struikelde en viel, voor het hek van de villa ‘Constance’. Ze hadden zijn halsslagader geraakt, een grote straal bloed spoot tien centimeter omhoog uit zijn halsslagader. Boere boog zich over hem heen. Kromhout stopte zijn pistool in zijn zak en keek om zich heen. Er was niemand in de verlaten laan.
Tijdens de eerste verhoren dacht Boere nog aardig weg te komen. Hij bekende weliswaar dat hij bij de SS had gezeten, maar zweeg over de Silbertanne-moorden. Hij had wel bij de staf van de Germaanse SS in Den Haag gezeten, waar het volgens hem zijn taak was het huis van de Standartleider der Germaanse SS, Feldmeijer te bewaken.
Uiteindelijk bekende hij dat hij aan de Silbertanne-moorden had meegewerkt en dat hij meegedaan had aan een razzia in Helden-Panningen, waar zestig inwoners gearresteerd werden. In Limburg had hij ook onderduikers verraden.
Nog voordat hij werd veroordeeld, ontvluchtte hij in 1947 uit de gevangenis. Op 18 oktober 1949 werd hij bij verstek ter dood veroordeeld. Het was dus zaak voor hem uit handen van justitie te blijven. Tot 1954 verborg hij zich bij zijn moeder in Nederland, waarna hij naar zijn geboorteplaats in Duitsland vluchtte. Daar werkte hij tot 1976 in de mijnbouw. Sindsdien is hij met pensioen.
Boere bewoont de onderste etage van een groot huis in een stadje dat letterlijk in de rook van Aken ligt, niet ver van de grens met Nederland. Zijn twee hondjes gaan ons blaffend voor naar de woonkeuken waar hij het grootste gedeelte van zijn tijd doorbrengt. Kastjes van eikenhout. Op tafel ligt een plastic, roodgeruit kleed. Aan de muur hangt een grote foto van zijn hondjes. In het weerhuisje, dat op een plank staat, is het vrouwtje naar buiten getreden. Aan de muur hangen drie oorkondes die hij bij diverse gelegenheden heeft gekregen. Op een ervan staat: Für einen netten Mensch.
Boere is een gedrongen man en ziet er ondanks allerlei ouderdomskwalen nog sterk uit. Hij heeft het lichaam van een bokser, hangende schouders, stevige armen, grote knuisten. Als ik vraag hoe hij is ontsnapt beginnen zijn ogen te glimmen en wrijft hij met een hand door zijn nog donkere haar.
‘Ik was nog niet veroordeeld en zat in een gevangenkamp in Valkenburg. We werden dagelijks in een bus naar de mijnen vervoerd, waar we werkten. In die bus zaten van binnen geen deurknoppen, maar op een dag was hij kapot en moesten we met een andere mee. Ik zag meteen dat in die bus wel deurknoppen zaten. Ik nam bij de achterste deur plaats en zei tegen mijn medegevangenen dat ze moesten zingen. Toen we de tunnel inreden, waar de bus altijd langzaam reed, ben ik er als enige uitgesprongen. Maar ik durfde niet naar het huis van mijn moeder en ben toen naar een tante gevlucht. Niet lang daarna ben ik toch naar mijn moeder gegaan, waar we een kleine vluchtruimte hebben gemaakt.’
‘Dus u zat toch gevangen.’
‘Ja, maar ik was ter dood veroordeeld. Later is die straf omgezet tot levenslang.’ Hij lacht. ‘We woonden nota bene naast een politieagent. We hebben één keer bezoek van de politie gehad. Ze stonden voor het schot waar ik achter zat en doorzochten de jassen die daar hingen. Ik hoorde hen praten.’
‘Maar hoe was het om nooit naar buiten te kunnen?’
‘Het was nog altijd beter dan de gevangenis. Ik had in een kamp gezeten, waar ze ’s nachts op de barakken schoten, daar zijn er nog heel wat vermoord. Dus dat wilde ik niet. Behalve mijn moeder, zus en jongste broer wist niemand dat ik daar zat. Ik had een intercom in de kamer geplaatst, zodat ik de gesprekken kon volgen. Na vijf jaar ben ik naar mijn geboorteplaats gevlucht en bij mijn tante gaan wonen. Ik ben altijd bij haar gebleven. Later ook met mijn vriendin, die is twee jaar geleden overleden. Ik ben in de mijnen gaan werken tot die in 1976 werden gesloten en ik met vervroegd pensioen mocht.’
‘Maar kon u hier dan zomaar gaan wonen?’
‘Ja, dat was geen probleem. Ik was hier geboren, dus ik kon me gewoon inschrijven.’
Hij lijkt zich niet helemaal bewust van het juridisch steekspel dat er jarenlang over hem heeft plaatsgevonden. Hij haalt z’n schouders op, als ik het hem vertel. In 1983 is hij voor verhoor in hechtenis genomen, omdat Nederland weer om uitlevering had gevraagd. In het Beschluss van het Oberlandesgericht Köln staat dat hij met een uitlevering niet akkoord zou gaan. Ook nu kwam Boere weer goed weg. Het Nederlandse verzoek werd niet ontvankelijk verklaard. Op mijn vraag of hij toen bang was, antwoordt hij met zijn Limburgs-Duits accent: ‘Nuh, nuh. Nooit bang geweest.’
‘Heeft u vaak aan die periode moeten denken? Had u spijt?’
‘Ik was zo gek dat ik mijn eigen familie zou hebben aangegeven.’ Ik vraag hem of hij kan uitleggen hoe het zo ver met hem is gekomen. Hij vertelt dat hij vanaf het begin pro-Duits was. Tijdens de opleiding is hij gehersenspoeld. Ook zijn tijd aan het Oostfront heeft het nodige gedaan. Mompelend, moeilijk verstaanbaar, maar nuchter, vertelt hij hoe hij bij het Sonderkommando terechtkwam en hoe ze de opdrachten uitvoerden. ‘We kregen een papiertje waarop de namen stonden van de verzetsstrijders die we moesten neerschieten.’
‘Maar het is toch verschrikkelijk om iemand zomaar neer te schieten? Was u niet nerveus of bang?’
‘Bang? Nee. Aan het Oostfront had ik zoveel meegemaakt. Wij aten onze boterhammen zittend op de lijken van de Russen. Ik zag de verzetsstrijders als vijanden.’
‘Vertel eens over de stemming onderling, als jullie een opdracht gingen uitvoeren. Waar spraken jullie over?’
‘We spraken niet met elkaar. Ik doe nu geen vlieg kwaad meer.’
‘Wanneer kwam u tot het bewustzijn dat u verschrikkelijke dingen had gedaan?’
‘Toen Duitsland verloren had en ik gevangen werd genomen. Ik kon gewoonweg niet begrijpen dat we verloren hadden.’
‘Werd u dan ’s nachts wakker en had u spijt van wat u had gedaan? Droomde u daar over?’
‘Nee. Ik heb altijd goed geslapen en als ik droom, dan droom ik over mijn honden. Ik heb wel gebiecht.’
‘Frans Kusters hebben jullie van achteren neergeschoten.’
‘Die naam kan ik me niet herinneren.’
‘Jullie lieten hem zogenaamd weglopen. U en Kromhout.’
‘Kromhout heeft de hoed van die man nog opgezet toen we hem hadden neergeschoten. Dat was een wilde, Kromhout. Die had veel onderscheidingen.’
‘Vervulden jullie de opdrachten uit angst of uit idealisme?’
‘Het was de vijand. Beslist geen angst.’
‘Heeft u nooit aan die mensen gedacht, aan hun familieleden?’
‘Ik heb aan het front ook veel mensen vermoord.’
‘Maar dat lijkt me toch anders. Je weet niet op wie je schiet. De Silbertanne-acties waren moorden. Jullie belden aan en dan schoot je iemand neer, iemand die vlak voor je stond.’
‘Ach, ik was zo fanatiek. Het was een eer om bij de SS te zitten. Mijn moeder had een foto van mij waarop stond: De eerste uit Maastricht bij de Waffen SS.’
Hij stopt het gesprek om de honden uit te laten. Ik blijf alleen in de keuken achter en kijk door het raam. Het regent. Ik zie hoe hij met liefde naar zijn hondjes bukt. Hoe moet ik dit uitleggen? Hij heeft geen geweten en toont geen enkele wroeging. Zijn zenuwen zijn van stalen kabels en zijn hersens van modder. En toch lijkt het zo geen kwade, oude man. Wat mij betreft: ik ken geen persoonlijke ressentimenten, maar de nazaten van zijn slachtoffers willen hem nog graag achter tralies zien.
Hij komt de keuken in en gaat koffie zetten. De honden snuffelen aan me. We kletsen wat. Ik probeer via een omgaande beweging tot hem door te dringen en vraag of hij zichzelf ook als slachtoffer beschouwt. Hij zegt dat hij daar niet over wil nadenken.
‘Heeft u met vrienden over uw verleden gepraat?’
‘Nuh, nuh. De mensen begrijpen dat niet.’
‘U maakt een nuchtere indruk.’
‘Ja. Ik kan er toch niets meer aan veranderen. Ik heb wel voor de zielen gebeden, voor de mensen die ik heb omgebracht. Ik voel me geen moordenaar.’
‘Maar u bent het wel.’
‘Het gebeurde in opdracht. Ik was soldaat. Ik ben niet verantwoordelijk. Rauter was verantwoordelijk en anderen, die de lijsten maakten.’
‘Kunt u zich herinneren dat u en Steeman met de trein naar Breda reden en dat hij u twee pistolen liet zien?”
‘Nee.’
‘Was hij net zo fanatiek als u?’
‘Fanatiek? Ik weet het niet. Kromhout wel. Dat was een gangster. Is Steeman vrij?’
‘Ja.’
Hij glimlacht nostalgisch. ‘Hij had van die tanden, van die lange tanden.’
‘Hoe is het voor u om dit gesprek te hebben?’
‘Ik wil u graag helpen. Waarom niet? Het is goed als jonge mensen dit lezen en niet zo dom zullen doen. Maar ik voel me niet schuldig. Daarom heb ik er altijd voor gezorgd dat ze me niet te pakken kregen.’
De naam van Steeman is om redenen van privacy verzonnen.