Begrafenistoespraak voor een vader
Namens
mijn broer wil ik u eerst bedanken voor uw aanwezigheid.
Als iemand 90 jaar wordt en overlijdt op de wijze zoals
mijn vader, zonder ziekte, zonder pijn, dan moet je
ook tevreden zijn, hoewel de laatste dagen toch niet
meevielen. Zelf zei hij het kort voor zijn dood zo:
Ik heb geen vader meer, ik heb geen moeder meer. Niemand
die mij nog kent.
We
hebben hem zo lang mogelijk zelfstandig laten wonen,
maar uiteindelijk kon het niet meer. Hij begon te dementeren
en viel ook voortdurend. Een paar keer heeft hij de
hele nacht op de grond gelegen. Hij moest dus verzorgd
worden.
Een probleem was dat hij niet meer in aanmerking kwam
voor een verzorgingstehuis, maar alleen voor verpleging.
Zo kwam hij terecht op een afdeling voor demente bejaarden.
Omdat mijn broer en ik vonden dat hij daar eigenlijk
te goed voor was hebben we bedongen dat hij de afdeling
af mocht naar de recreatiezaal of het restaurant. Op
een zondag werd ik gebeld dat hij was weggelopen en
ik vond hem toen verward op straat op zoek naar de straat,
waar hij in zijn jeugd heeft gewoond. Toen werd hem
zijn laatste vrijheid ontnomen.
Hij
had slecht naar zijn zin. Hoewel hij dementerend was
heeft hij uiteindelijk besloten niet meer te eten en
te drinken. En toen ging het snel. Hij vermagerde zienderogen
en het was verschrikkelijk om dat sterke lichaam van
hem te zien wegkwijnen, vandaar dat ik zijn dood ook
als een bevrijding beschouw.
Toch
waren er ook bijzondere momenten. Het was ontroerend
om te zien hoe trouw hij aan zijn alleroudste gevoelens
bleef, de liefde voor zijn vader en moeder en vooral
ook zijn broer Aat, op wie hij steeds meer ging lijken.
'Komt mijn moeder nog?' vroeg hij dan. En als ik 'ja'
zei, keek hij tevreden voor zich uit.
Wat
ook bijzonder was, was dat hij minder dement leek te
worden, naarmate zijn vasten voortduurde. Soms had hij
heldere momenten en tot op het laatst bewaarde hij zijn
humor en zijn weerbarstigheid. Ik ken niemand die zo
zijn eigen spoor heeft getrokken in het leven als hij.
Daarbij moest je niet voor zijn voeten lopen. Tot op
de laatste dag balde hij zijn vuisten en hield zijn
armen in een bokshouding.
In
mijn jeugd heb ik het een keer meegemaakt dat een automobilist
zijn auto midden op de weg voor ons wilde laten staan
en maling aan hem had toen hij toeterde dat hij moest
doorrijden. Daarop gaf mijn vader gas en duwde de wagen
met de wanhopige man erin de straat uit.
Met
de dood van mijn vader verdwijnt ook een stuk geschiedenis,
namelijk die van Rotterdam. Hij kon geweldige verhalen
vertellen toen ik klein was. Van die vreemde voorvalletjes
in zijn jeugd, hoe ze voetbalden en knokten en gokten
en hoe hij met zijn moeder meeging om de school schoon
te maken. En over zijn vader die met de geit naar de
kroeg ging en een geslachte kat als konijn verkocht.
Of dat verhaal van zijn broer en de fles genever. Hun
vader had in de oorlog een fles genever, en pa's broer
kon daar niet met zijn vingers vanaf blijven. Dus nam
hij steeds een glaasje en vulde dat weer aan met een
beetje water. Dat ging zo door tot de hele fles vol
water zat. Op een dag verkocht hun vader de fles genever.
Trots dat hij er zelf met zijn vingers vanaf was gebleven,
want ook opa lustte wel een borreltje. Even later kwam
de koper vloekend terug. 'Wat heb je nou gedaan? Je
hebt de boel bedonderd.'
Het vertelde altijd verhalen, prachtige, volkse verhalen
met veel humor, waarnaar ik altijd graag heb geluisterd.
Hij zong ook vaak een liedje uit zijn jeugd. Op elfjarige
leeftijd moest hij in een meubelfabriek werken, zoals
dat toen ging.
Donderdag
oh donderdag
De mooiste dag der dagen
Des morgens nog een halve week
En 's avonds nog twee dagen
Ik
denk dat hij heel erg gelukkig is geweest in zijn jeugd.
Hij was ook een leuke vriend, denk ik. Maar de wereld
daarna was toch niet helemaal meer van hem.
Vooral
de slagerij werd zijn domein. En hij kon er ook maar
geen afscheid van nemen. Ook niet toen Wim de zaak van
hem overnam. Hij heeft er tot zijn 84 ste gewerkt en
wist natuurlijk altijd beter hoe het moest.
Hij
was geen man met wie je een gesprek kon voeren. Of die
belangstellend naar je informeerde. Dus dat moest je
ook niet van hem verlangen. Hij was op zijn best met
kaarten, dan kon je erg met hem lachen. Hij was ook
bescheiden en eiste nooit iets van ons. Als je hem bezocht
was hij altijd dankbaar.
Er
is een verhaal dat altijd een bijzondere betekenis voor
mij heeft gehad en waar ik nog vaak aan denk. Dat gaat
als volgt.
In
de oorlog fietste hij van Delft waar ons gezin woonde
naar Rotterdam waar hij als slagersknecht werkte. Hij
reed dan altijd over een pad door het weiland. Dag in
dag uit. De zomer ging voorbij, de herfst en toen werd
het hongerwinter. Altijd over dat pad, heen en weer.
En op een dag, het had gesneeuwd, reed er iemand hem
tegemoet. Het was koud en hij fietste hard. Die tegenligger
kwam dichterbij. Maar hij wilde niet voor hem uitwijken.
Het was tenslotte zijn pad. En toen fietsten ze keihard
tegen elkaar aan, waardoor ze in het weiland vielen.
Daarop ontstond er een verschrikkelijk gevecht. Mijn
vader was ontzettend sterk, maar die kerel kon er ook
wat van. En het duurde maar en duurde maar. Ze zaten
onder de modder en sneeuw. Op een gegeven zei mijn vader:
Wat zijn we eigenlijk aan het doen? Het is oorlog en
wij zijn hier aan het vechten. Toen hebben ze elkaar
een hand gegeven en zijn weer doorgereden.
Naar
boven
|