Voorbeelden
Onder deze links vindt u verschillende
voorbeelden van onze teksten.
Toespraak verjaardag Begrafenistoespraak
voor een vader
Herinneringen
van een oud-rechercheur
Fragment
uit Coby, mijn zusje
Impressie
van een reis
Herinneringen
aan een oom
Verloren
Dagen
Reina
Prinsen Geerligs
Brochure
Ruud Visser
Toerist
in eigen stad
|
Onderstaand fragment is een transcriptie
van een interview met Ludo van Eck over zijn tijd
in Dachau.
Een
hoge prijs om te overleven
Zelden
zal iemand zo het slachtoffer van zijn eigen overlevingsdrift
zijn geweest als Ludo van Eck. Hij wilde het kamp Dachau overleven
om te getuigen. Hij overleefde inderdaad en heeft van de kampen
getuigd, maar niet meer geleefd. Hij had geen idee wat herinneringen
hem zouden aandoen.
Op
een tafel in zijn studeerkamer stonden tientallen medicijnen,
ook een manier om dood te gaan. Omdat hij niet meer kon leven,
schreef hij meer dan 700 (zevenhonderd) boeken, stuiverromans,
onder allerlei pseudoniemen. Schrijven om niet na te denken.
Maar hij schreef ook belangwekkende boeken over de kampen,
met als meest bekende Het Boek der Kampen. De Getekenden en
De Gedoemden.
Ludo
van Eck maakte vanaf zijn negentiende jaar deel uit van een
verzetsgroep van twintig man in de Belgische stad Mol en hield
zich vooral bezig met het in veiligheid brengen van geallieerde
soldaten. Op 8 maart 1944, de dag na de première van zijn
operette, waarvan hij libretto en muziek had geschreven, werden
hij en andere leden van de groep waaronder zijn vader, oom,
tante en verloofde door de Duitsers opgepakt. Op één december
1944, terwijl de bevrijding nabij was, kwam hij in Dachau
aan, waar vooral politieke gevangenen werden opgesloten.
‘Vijf
kilometer van het kamp werden we afgezet. Al jaren hadden
we nauwelijks licht zien branden in Europa en nu kwamen we
in een zee van licht terecht. Ik zie nog altijd die wachttorens
voor me en het prikkeldraad. Er lag sneeuw op het prikkeldraad.
De geur van het crematorium. We werden het perron op geschopt,
of uit de wagons getrokken als het niet snel genoeg ging.
Sommigen vielen, werden overeind geschopt. Het was vinnig
koud, een heldere sterrenhemel. De adem van de SS ’ers en
hun honden was duidelijk zichtbaar. We waren twee aan twee
geboeid en als een gevangene werd neergeslagen, viel de ander
ook, die daarvoor met razende trappen werd gestraft.’
Het
stadje lag in het donker, er was niemand op straat, hier en
daar werd er een gordijn opzij geschoven, maar ze zagen geen
gezichten. Dat was maar beter ook. Ze hadden geen behoefte
aan scheldende en spuwende toeschouwers. Ze werden uitgekleed,
naakt moesten ze de sneeuw in. Er kwamen SS ’ers aanlopen
die hen bij elkaar schopten, in rijen van tien.
‘Er
werd appel gehouden. Het was het enige naamappel in Dachau
dat ik heb meegemaakt. Vanaf dat moment waren we nummers.
De mannen van wie hun namen waren afgeroepen begonnen een
nieuw blok te vormen. Een SS’er sloeg me op mijn kin, omdat
ik mijn naam niet verstond. Ik ging neer, hij raasde tegen
me terwijl hij me schopte. “Het kan me niet verrekken hoe
je heet, je hebt geen naam meer, je gaat toch door de schoorsteen.”
Hij bleef schoppen en razen terwijl ik weer overeind probeerde
te komen. Ik had pijnlijke ribben en ik was zo duizelig dat
ik bang was dat ik ging vallen. Weet je nu hoe je heet? Rotzak.
Hij lachte en schold me uit voor stomme Franzose .
Ik strompelde naar de andere groep toe. Toen een andere Belg
ook voor stomme Fransman werd uitgescholden en die zei dat
hij Belg was, kreeg hij een ranseling. “Belgen zijn ook Scheissfranzosen
”. We kregen een rood driehoekje met een letter erop.
Een B voor de Belgen, F voor de Fransen, H voor de Hollanders.
We moesten het op onze jas naaien met de punt naar beneden.
Daarna een stukje stof met een nummer erop. Ik was nummer
134711.’
Hij
besefte niet wat hem overkwam. Nadat hij enkele maanden geïsoleerd
in een cel had gezeten, kwam hij nu in een massaliteit terecht.
Hij zag mishandelingen die hij niet voor mogelijk had gehouden.
Iedere dag werd het erger, het slaan het schelden. Hij voelde
dat het uitzichtloos was. Mensen gaven het op, pleegden zelfmoord,
sommigen gingen gewoon dood.
Maar
vanaf de eerste minuut nam Van Eck zich voor te overleven.
Iedere morgen hielden ze zich met z’n vijven vast aan elkaar
en riepen: ‘Ze krijgen ons niet kapot.’ Ze zijn alle vijf
teruggekomen. Die wil om te overleven moet een grote rol gespeeld
hebben. Als je niet dood wilt, dan ga je niet dood. Daar gelooft
hij nog steeds in.
Evenals
in Buchenwald was in Dachau vernietiging door arbeid van toepassing.
De gevangen moesten zoveel mogelijk werken, met zo weinig
mogelijk eten. Ze stierven van honger, van kou, door typhes,
tbc, dysenterie en andere infectieziekten, of ze werden opgehangen,
vergast, doodgetrapt en doodgeschoten. Ook werden er proeven
op mensen gedaan. Wat voor werking bevriezing op het lichaam
had bijvoorbeeld. In totaal lieten 150.000 mensen in Dachau
het leven.
Ludo
van Eck kwam in blok 29 terecht, de barakken van de stervenden.
Blok 29 was de hel der hellen. Stront en etter, urine, luizen,
miljoenen luizen en vlooien. Als hij onder zijn oksels greep,
had hij een volle hand. Hij krabde zich bijna dood. In plaats
van bloed kwam er pus uit de wonden. Nog voelt hij de vernedering.
‘Regelmatig kregen we luiscontrole. En voor iedere luis die
gevonden werd kreeg je een stokslag. Je moest naakt gaan staan,
en je hemd aanbieden. Een officier weigerde daaraan mee te
doen. Ze hebben hem buiten gezet en zo vernederd dat hij daaraan
is overleden. Aan die vernedering. Hij was gebroken. Die moffen
amuseerden zich met ons te vernederen. Dat was een sport voor
hen. Maar het waren gewone mensen die dat deden. ’s Avonds
gingen ze naar huis, naar hun vrouw en kinderen. We waren
vuilnis voor hen, ze trapten ons achteloos, zomaar als ze
je voorbijliepen.’
Toen
hij in Dachau aankwam en de lopende lijken zag, met stront
tussen hun benen, toen dacht hij, dat overkomt mij niet. Maar
iedereen had diarree. De stront liep gewoon z’n broek uit.
Er was geen papier om je af te geven. Hij werd zwakker. ‘We
sliepen in drie lagen boven elkaar, soms met negen man. Als
je boven lag had je nergens last van. Maar als je onder sliep,
kreeg je de stront en urine over je heen. We gingen niet naar
de wc, omdat je er niet meer bij kon liggen, dus dan liet
je alles maar lopen. Je moest op je zij liggen. Omdraaien
kon je je niet, zodat je de hele nacht op één zij moest liggen.
Ik woog nog 35 kilo, zodat m’n lichaam rouw werd van het doorliggen.
Je lichaam verdooft. Je sleept het er doorheen.’
En
dan was er de honger. Ze hadden geen honger, ze waren honger.
‘Het was een toestand. Een tekort, waar je niets tegen kon
doen. Dat gevoel is niet uit te leggen, je verteert, raakt
versuft, je hebt altijd hoofdpijn, je ogen doen altijd pijn.
We kregen een hompje brood en een soort soep. Je moest je
eetketeltje aan je mond zetten en slurpen, want een lepel
hadden we niet. Dan likten we die schoon, schoner dan een
hond kon, en gaven het door aan de anderen. Op een keer kreeg
ik daarvoor een pak rammel van een vindingrijke Duitser. Hij
schold ons uit: “Schamen jullie je niet? Wat zijn jullie voor
een stelletje onbeschaafde smeerlappen. Vinden jullie het
normaal dat je kameraden moeten vreten uit kommen die jullie
hebben schoongelikt? Misschien hebben jullie verdomme wel
typhes. Bestaat er geen hygiëne in jullie Schweinhundenland
?’ Hij was een sterke man en sloeg er lustig op los.
We lieten ons slaan en onze eetkommen uit de handen schoppen.
Want we vonden dat hij gelijk had. Inderdaad dit was het begin
van het niet mens meer zijn.”
Honger,
vernedering, vervuiling, verdriet, heimwee. Wat is het ergste
om te verdragen? ‘Vernedering. Verdriet heb ik niet gekend.
Bij al het andere leg je je neer. Mensen die doodgingen, daar
kon je niets aan veranderen, je ging gewoon verder. Ik dacht
ook niet meer aan huis. Maar aan de vernederingen raakte ik
niet gewend. Die ben ik ook nooit vergeten. Zelfs na de dood
werden mensen vernederd. Lijken lagen met een kaartje aan
hun tenen waarop hun nummer stond, in de sneeuw. Ze werden
aangevreten, door ratten, soms ook door mensen. Ik heb iemand
een keer aan een voet zien peuzelen. Doden waren anderen.
Mannen met wie je de vorige dag nog had gevochten voor een
plaatsje op het toilet. Met wie je had geruzied, omdat hun
stuk brood groter was dan het jouwe. Dat er dagelijks gezichten
verdwenen deed ons niets meer. We stompten af en werden egoïstisch.
Voor de onbenulligste feiten vlamden hoge ruzies op. Soms
kon je skeletten met moordzucht elkaar te lijf zien gaan.
Een paar dagen later lagen ze naast elkaar in de sneeuw.’
Er
zaten ook veel Russen en Polen in het kamp. Veel contact was
er niet met elkaar. Op een dag ruilde hij een homp brood voor
een paar pantoffels die de Rus van een deken had gemaakt.
De man at het brood op en begon toen te schreeuwen dat Van
Eck zijn pantoffels had gestolen. Ze kregen beiden 25 stokslagen
op hun kont. Bij de Rus luidde de beschuldiging: Sabotage,
omdat hij een stuk van zijn deken had verscheurd. En Van Eck
werd gestraft voor kameraaddiefstal. Je moest zelf de stokslagen
tellen. Als je er een oversloeg, begonnen ze opnieuw. Het
tellen moest in het Duits. De Rus vergiste zich steeds. Ze
hebben hem weggedragen. ’s Avonds bezocht Van Eck hem en gaven
ze elkaar een hand.
De
bevrijding kwam eigenlijk onverwacht. Ze strompelden naar
het prikkeldraad toen ze de Amerikanen zagen, maar die deinsden
van schrik terug. ‘In die dagen braken velen van ons. Er zijn
er nog veel gestorven. Ik ben met een vrachtwagen naar huis
gevoerd. Vijfendertig kilo woog ik. Onderweg hoorde ik van
iemand dat mijn vader was overleden. Ik kwam in Luik aan,
maar wilde niet naar huis, omdat ik het mijn moeder niet durfde
te vertellen en mezelf niet wilde laten zien.’
Met
een groep werd hij naar een ziekenhuis gebracht. Toen hij
wakker werd was iedereen weg. Hij begon te huilen, zoals hij
nog nooit in Dachau had gehuild. ‘Ik strompelde de zaal uit.
Op de trap ontmoette ik een smetteloze verpleegster. Ik hoopte
dat ze me zou helpen. Ik voelde me zo zwak en duizelig dat
ik me aan de trapleuning moest vasthouden. Ze keek van me
weg en liep snel naar beneden. Ik hoorde haar tegen een collega
zeggen: “Hij stinkt.” Dat was erg, hoewel ik het wel begreep.
Toen ik beneden was ontmoette ik een man van een jaar of dertig,
die me uitnodigde mee naar zijn huis te gaan. Zijn vrouw wilde
me in bad wassen, maar ik durfde niet. Het was bijzonder moedig
van haar om zo iemand als ik te helpen. ’s Nachts kon ik niet
in bed slapen, omdat het te zacht was. Later hebben ze me
op de trein gezet. Het vreemde was; mijn hoofd was gezwollen,
waardoor ik er gezond uitzag. Mijn moeder dacht dat ik kerngezond
was. Tot ze mijn lichaam zag. Over de dood van mijn vader
hebben we weinig gesproken. Het duurde een jaar voordat ik
enigszins hersteld was.’
Hij
wilde overleven om te getuigen, maar dat was een groot offer.
Er was geen moment meer waarop hij zich niet bewust was van
wat hij had meegemaakt. In het kamp besefte hij niet dat het
ergste nog moest komen: zijn herinneringen. Zijn verloofde
kwam als invalide uit het kamp. De rest heeft het niet overleefd.
Maar misschien was de dood zo gek nog niet.
‘Ik
zou het niet meer willen overleven. Ik heb nooit de woorden
kunnen vinden wat het heeft betekend, ik heb het de mensen
niet duidelijk kunnen maken. Ik ben niet tevreden over de
boeken die ik over de kampen heb geschreven. Dat neem ik mezelf
kwalijk. Maar aan de andere kant; een Russische schrijver
heeft eens tegen mij gezegd: “Het is afgrijselijk om het te
weten, maar het is een misdaad om het niet te weten.”
Dat
is dicht bij de waarheid.’
Naar boven
|