Tekstbureau Idee & Uitvoering

Voorbeelden

Onder deze links vindt u voorbeelden van onze teksten.

Toespraak verjaardag

Begrafenistoespraak voor een vader

Herinneringen van een oud-rechercheur

Fragment uit Coby, mijn zusje

Impressie van een reis

Herinneringen aan een oom

Dachau

Reina Prinsen Geerligs

Brochure Ruud Visser

Toerist in eigen stad

Onderstaand fragment is het eerste hoofdstuk uit de roman Verloren Dagen. Het boek gaat over de Spaanse Burgeroorlog, met name de onderlinge strijd tussen de communisten en de leden van de POUM.

Als Frank Veltman het Spaanse dorpje Sorianos binnenrijdt, loopt Ana de León het station in. De klokken worden geluid en de wegstervende galm valt samen met de slag tegen een golfbal van de tachtigjarige William Hunter. Het is juli 1974. Alles is nog zonder betekenis, maar dat verandert als Frank het dagboek in handen krijgt van Willy Jansen, een Nederlandse jongen die zich tijdens de burgeroolog bij de POUM-milities heeft aangesloten. Langzaam openbaart de geschiedenis van het dorp en de streek zich voor Frank Veltman.

1

Spanje, juli 1974

William Hunter zwaaide met zijn pet en zette hem voor de grap scheef op zijn hoofd, maar dat laatste gebaar zag Ana niet. Ze had zich al omgedraaid, stak de weg over, verdween in de schaduw van de steeg die uitkwam op het dorpsplein en passeerde daar de bejaarde mannen die onder de lindebomen zaten. ‘ Buenas tardes condesa ,’ groetten ze beleefd. In Spanje moet je doen alsof je geen verleden hebt. Als je haar nakeek, vanaf het terras van café Doña Pepa bijvoorbeeld, viel je ook niets op; je kon van haar rug de geschiedenis niet lezen.Toch hadden drie van hen haar ooit uitgescholden voor rooie teef en hoer. Op ditzelfde plein, terwijl ze rondliep met een kaalgeschoren hoofd. ’s Nachts had ze in een donkere cel hun vuisten gevoeld en, erger nog, hun handen die haar betastten.

 

Gebeurtenissen vallen samen, terwijl je er niets van weet. Het zal dus ongeveer zo gegaan zijn.

       Terwijl Ana het station binnenliep, werden de klokken van Soriano geluid en passeerde ik de oude dorpswal. Vanaf dat moment maakten zij deel uit van mijn leven. De wegstervende galm van de klokken viel samen met de eerste slag van William die dag tegen een golfbal: zzzoef. ‘ Sign of a waisted life.’

        Al generaties lang hingen de leden van de familie Cesares in de touwen om de dorpelingen met hun gebeier aan het bestaan van god te herinneren. Voor William Hunter was deze inspanning vergeefs, hij geloofde niet in god. Lang had hij beweerd dat hij zèlf het eeuwige leven had en als je hem zag dan kon hij daar nog wel eens gelijk in hebben ook. Tachtig was hij en pas de laatste maanden leek de ouderdom greep op zijn lichaam te krijgen. William was in Portland, Amerika, geboren. Tien jaar geleden was hij deze camping opgereden en verliefd geworden op de eigenaresse, de vijfentwintig jaar jongere Ana. Een gedeelte van het terrein was na hun huwelijk opgeofferd aan een kleine golfbaan. Vanaf een mat, vlakbij de woning, sloeg hij de bal met een pitching wedge naar de green die enkele meters lager lag.

Ik was voor het eerst alleen op vakantie. Een idee van Renee, mijn vrouw. Zij was met een vriendin naar Engeland. We waren bijna vijfentwintig jaar getrouwd en al lang vergeten wat we ooit gehoopt en geloofd hadden.

       Bij de bocht minderde ik vaart. Links van de weg stond een oud landhuis. Aan de andere kant was een flatgebouw van vier verdiepingen hoog, dat als een muur de oude dorpskern van het landgoed afschermde.

       Ik parkeerde bij een poort met stenen pilaren. Op de rechter hing een bordje: camping . Er stonden enkele tenten op het terrein. Ik liep langs een U -vormig gebouwtje dat een gezellig terras omsloot en gedeeltelijk door een wingerd in de schaduw werd gehouden.

       William stond bij de oefenmat en ik keek toe vanaf de weg, die een paar meter lager lag dan de tuin. De bal kwam op minder dan een meter van de hole terecht.

          ‘Can I help you sir?’ vroeg hij.

        ‘Ik weet het niet, u hoort bij de camping?’

       ‘Jazeker.’

          Met zijn club legde hij ondertussen een balletje op de mat.

       ‘U heeft een mooie slag.’

       ‘Sign of a waisted life. Speelt u ook?’

       ‘Een beetje.’

        ‘That’s fine.’ Ik mocht hem meteen.

       Het balletje vloog door de lucht en we keken beiden toe hoe hij op het gras terechtkwam.

        ‘Logeert u in het dorp?’

        ‘Nee, ik kom net aanrijden, m’n auto staat bij de poort.’

       ‘Bent u alleen?’

       ‘Ja.’

       ‘Als u een slaapplaats zoekt en niet te veel luxe verlangt, we verhuren kamers.’ Hij wees op een sober vierkant bouwwerk dat rechts van het huis stond.

       Ik liep de camping op en gaf hem een hand.

       ‘Frank Veltman.’

       ‘William Hunter.’

       William riep in het Spaans, met een sterk Amerikaans accent, een vrouw die bij het terras stond. ‘María zal u verder helpen,’ zei hij. ‘Mijn vrouw beheert normaal de camping, maar ze is een week naar Barcelona.’

       Ik liep achter de kleine vrouw naar de lodge. Waarom liepen mij voortdurend tandeloze en gebochelde vrouwtjes voor de voeten? Eén ding had ik mij voorgenomen in deze vakantie; aan mijn monogamie moest een eind gemaakt worden. Maar vanaf het begin was dat een kansloze onderneming geweest. Degene die het begrip Spaanse schone heeft bedacht, moet wel erg lang alleen op reis zijn geweest.

  ‘Shower and toilet in building there,’ zei María en overhandigde me de sleutel.

       Ik zette m’n koffer in de kamer en ging op bed liggen. Als ik hier drie dagen zou blijven en nog drie dagen in Parijs, dan kon ik zonder gezichtsverlies op m’n gemak naar Nederland rijden. Ik deed alles op m’n gemak. Ondanks de onrust in me. Het is geen pretje iedere dag alleen in een restaurant te eten; er waren dagen voorbijgegaan dat ik geen woord met iemand wisselde. Dit was de zwijgzaamste vakantie die ik ooit had gehad. In de auto neuriede ik dezelfde liedjes die we vroeger altijd met elkaar op reis zongen. Lara en Ewoud achterin, zijn vingertjes in m’n nek. Eendje ga je mee, zwemmen in de zee .

        Maar ik had tenminste tijd om na te denken, en daar was het geloof ik om te doen geweest, al tuimelde bijna iedere gedachte over hetzelfde: alles wat voorbij was. Soms had ik het gevoel dat ik vijftien jaar m’n ogen had dichtgehouden.

       Buiten sloeg William zijn golfballetjes. ‘ Sign of a waisted life .’ Die zin bleef in m’n gedachten. De klok luidde vier keer. Hield hij geen siësta? Het was een aangenaam geluid: zzzoef, zzzoef. Ik viel in slaap.

Aan het eind van de middag wandelde ik langs de rivier naar het dorp en nam op het terras plaats van café Doña Pepa. De schaduw van de kerk lag op het plein en toen de schaduwklokken 7 keer bewogen, leek het of het gebeier uit de grond kwam. Ik keek naar een jong stelletje -ik schatte hen begin twintig- dat aan het tafeltje naast mij zat. Wat was ik voor jongen toen ik zo oud was? Het meisje voelde dat ik keek en stuurde mijn ogen met een ongeïnteresseerde blik weg.

       Onder een allee van lindebomen zaten oude mannen op de bankjes. Wie weet wat ze vroeger uitgespookt hebben, dacht ik. Mensen vallen altijd tegen. Vooral oude mensen en zeker in Spanje.

       Ik bestelde een café con leche en een bocadillo .

        Twee jongens en een meisje zetten een klein harmonium op het plein neer. Een van hen ging erachter zitten en de ander sloeg een akkoord op zijn gitaar aan. Het harmonium had een dunne, maar zuivere klank. Plotseling leek het of de toon werd versterkt, maar het was de stem van het meisje en iedereen op het plein werd door haar onschuld gevangen, zoals ze daar stond in haar witte jurk en met haar armen verlegen langs haar lichaam.

       Er liep een oude man voorbij met een lichtgrijs, linnen kostuum en een witte pet op. Hij begon zachtjes te dansen en hield een denkbeeldige vrouw in zijn armen. De spiegelglazen van de zonnebril, voor een man van zijn leeftijd ongewone zonnebril, glinsterden in de ondergaande zon. Soms is het geluk er ineens.

       Ik dacht aan een andere zomer, die van 1950, toen ik Renee ontmoette en we verliefd raakten. Zesentwintig waren we. In haar jeugd woonde ze op de grens van Rotterdam en Schiedam. Ik fietste vaak langs haar huis op weg naar mijn neef die in Schiedam woonde en bij wie ik speelde. Op een keer zei ze tegen een vriendin: ‘Met de eerste jongen die nu langsrijdt trouw ik later.’ Meisjes kunnen leuke gedachten hebben. Misschien was ik die jongen. We fantaseerden daar graag over en ik weet niet hoe vaak ze herhaald heeft dat ik vast en zeker die jongen op die fiets ben geweest. We waren erg verliefd. Maar ook dat is alweer lang geleden.

                                    Cuantas veces en la orilla te rece

                                    Con mis besos te decia que te amalra

William zat onder de denneboom voor zijn huis in het duister op een half vergane tuinstoel. Met z’n hand onder z’n kin staarde hij naar de vlag op de green.

        Ik liep naar hem toe.

        ‘Amuseer je je?’   vroeg hij.

        ‘Ja, ik heb een mooie wandeling langs de rivier gemaakt.’   

       ‘ Muy Bien . Wil je iets drinken? Koffie?’

        ‘Ja, koffie zou ik wel trek in hebben.’  

        Ik stak m’n hand uit om William overeind te helpen, maar die zwaaide z’n benen omhoog en sprong uit de stoel. Even later kwam hij wankelend terug met twee bekers koffie. Hij kreunde toen hij ging zitten.

       ‘Slijtage, zegt de dokter. Op mijn leeftijd, ik ben tachtig, is alles slijtage.’

       ‘Waar heb je pijn?’

       ‘Aan de onderkant van mijn rug.’

       ‘Maar je kunt wel golfen?’  

       William glimlachte. ‘Deze ene slag is alles wat over is van mijn golfspel, maar zolang ik dat kan blijf ik leven.’ Hij vertelde over de golfweduwen die hij had achtergelaten. Z’n hoofd schudde soms onwillig als hij naar het juiste woord zocht. ‘ But little mama likes to play .’ Hij maakte veel grapjes en lachte piepend vanuit zijn keel. ‘Weet je waar ik aan dacht, toen je aankwam? Terwijl m’n lichaam aftakelt, komt m’n jeugd dichterbij, bijna tastbare beelden komen in me op. Nu zag ik onze lerares Engels die met een mooie grote hoed op in een rijtuigje rondreed. Op een dag mocht ik naast haar zitten.’ Hij hield z’n handen voor z’n borst, denkbeeldig het tuig beethoudend.

       De pijn schoot weer door zijn rug.

       Hij was ongeveer dertig jaar ouder dan ik, maar bezat meer levensenergie dan ik ooit had verbruikt. Ik zou dan ook geen tachtig worden.

       ‘Zal ik je masseren?’ vroeg ik.

       ‘Kun je dat? Ben je fysiotherapeut?’

       ‘Nee, nee, ik ben leraar, maar ik heb, laat ik zeggen verstand van pijn en misschien kan ik die van jou een beetje verlichten.’

       We liepen naar het huis. William trok z’n overhemd uit en ging op de bank liggen. Ik liet mijn handen over zijn magere rug glijden en keek de kamer rond. Foto’s van diverse generaties hingen aan de muur, uit tijden waarin men nog verstijfd naar het apparaat keek waarin het wonder zich voltrok. William was hier net zo goed een buitenstaander voor de mensen die ons vanaf de muur aanstaarden als ik. Het was stil in het huis. The Old Boys van William Trevor lag op een stoel.

       Little mama likes to play , dacht ik, nog een zin van William die nagalmde. Ik vond hem een sympathieke man en hij intrigeerde me. Hij had een zachte, aangename huid, de oudste huid die ik ooit had aangeraakt.

  Mijn oog viel op een foto die bij de schoorsteen hing en waarop William met een vrouw stond. Ik liep ernaar toe. ‘Ana,’ zei hij. ‘Mijn vrouw.’ De foto was voor het huis genomen; William stond met zijn pet op en een golfclub in zijn hand. Zijn vrouw was niet veel ouder dan ik. Ik wist niet wat ik zag; ik geloof niet dat ik ooit zo’n mooie vrouw had gezien. Wat maakte haar zo bijzonder? Haar ogen, wenkbrauwen, lippen, mond? Die oude man met zo’n mooie vrouw? Hoe was dat in godsnaam mogelijk?

       Ik kon niet naar haar blijven kijken en pakte daarom een andere foto die op de schoorsteenrand stond, maar bleef met schuine ogen naar haar staren.

       ‘Dat zijn de ouders van mijn vrouw,’ zei William achter mijn rug.

       ‘Haar vader is tijdens de burgeroorlog overleden. De vrouw heb ik nog gekend. Ze was tegen ons huwelijk, altijd bang dat ik haar dochter voorgoed mee naar Amerika zou nemen. De laatste maanden van haar leven heb ik haar verpleegd, ze was niet veel ouder dan ik.’

       Ik ging weer op de rand van de bank zitten. Achter mijn rug kraakte de trap die naar de zolder leidde. Het leek alsof er iemand achter me stond. Het zou de wind wel zijn, of het huis zelf, toch draaide ik me niet om en voor geen goud zou ik de trap oplopen.

       Later op de avond liet William mij het huis zien. We kwamen in de slaapkamer waar een foto van zijn vrouw aan de muur hing. Haar kin rustte, geposeerd, op een halsbontje dat over haar rechterschouder hing. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. William opende een nachtkastje en hield een revolver in zijn hand. ‘Een Smith & Wesson,’ zei hij trots.

       Ik draaide me om.

       Die Amerikanen met hun liefde voor wapens.

Het grote reservoir van de camping stond vol water. William vertelde dat de vader van Ana het had laten aanleggen. Hij was altijd bezig geweest met het graven van geulen om water naar zijn land te geleiden. Water voor zijn bomen. Hoewel hij daar zelf waarschijnlijk nooit aan had gedacht, was er nu dank zij die bomen een camping.

       ‘Ook mijn vrouw is altijd met de grond bezig,’ zei William. Ben je al in het arboretum geweest dat zij heeft aangelegd?’ Hij wees naar een groep bomen op de heuveltop.

  ‘Ik heb trouwens vannacht voor het eerst sinds lange tijd weer goed geslapen, zonder al te veel pijn.’

       ‘Als je wilt, masseer ik je vanavond weer.’

       ‘Graag,’ zei William. Hij zocht steun bij mijn elleboog toen we de top van de heuvel bereikten. De bodem van het arboretum was bedekt met mos en gras dat zorgvuldig rond de bomen was geknipt. Er stonden bordjes bij met naam en herkomst. Een tulpeboom uit Noord-Amerika, een levensboom, een vaantjesboom uit China.

  ‘ She’s got this thing with trees, you know ,’ zei William.

       We naderden een treureik waarvan de takken zich als een zonnescherm uitspreidden en een cirkel vormden met een doorsnede van een meter of tien. Een bouwsel van ijzer ondersteunde een onontwarbaar vlechtwerk van takken. Om de boom heen was een bankje getimmerd, er stond een gietijzeren tafeltje bij waarop een mand met gedroogde bloemen.

       ‘Het is haar heiligdom. De eerste keer dat ik haar zag, stond ze bij deze boom met een tuinslang in haar hand. Ze praatte tegen de bomen. Ik zal het nooit vergeten, zoals ze daar stond in de schemering. En toen ik haar vroeg of ik met mijn busje op haar camping mocht staan, antwoordde ze, zonder me aan te kijken, dat er geen plaats was! Dat zei ze, de camping was nog niet halfvol. Ik was doodmoe van de reis en ze zei verdomme dat er geen plaats was. Ze had domweg geen zin om te onderbreken waar ze mee bezig was. Ik deed alsof ik wegging, maar bleef naar haar staan kijken en ze praatte verder..., tegen geesten. Het had me niet verwonderd als ze antwoord had gekregen. Begrijp me goed, ik ben beroepsmilitair geweest en ik heb veel doden gezien, maar nog nooit een geest. Ik dacht, dat mens is gek, maar ze sprak zo elegant, ik verstond geen Spaans, maar het klonk prachtig. God wat vond ik haar fascinerend. Zeventig was ik en ik werd verliefd. Zomaar. Nog nooit eerder was me dat zo plotseling overkomen. Op mijn leeftijd, kun je je dat voorstellen? Je moet verliefd worden op een vrouw die je afwijst of zelfs kwetst, want zij biedt je meer dan een vrouw die gelijk aan je is en ze openbaart de geheimen voor je waar je altijd naar hebt gezocht. Maar dat bedacht ik toen niet, eerlijk gezegd bedenk ik dat nu pas.’ Hij lachte.

       Verliefd worden op iemand die je afwijst? Dat was nog eens wat anders dan trouwen met iemand die een betovering uitsprak op het moment dat je toevallig langs fietste. Hij was tachtig, maar ik was jaloers op zijn opgeruimde manier van leven en op die openhartige lach van hem.

       ‘En welke geheimen zijn je geopenbaard?’

       William grinnikte weer. ‘Ik zou je er geen antwoord op kunnen geven en toch is het waar wat ik zeg. Sommige dingen zou ik niet begrijpen als ik haar niet had ontmoet. Misschien overdrijf ik en is het maar een gewone vrouw. Toch denk ik dat ik al dood was geweest als ik haar niet had. Maar wie weet ben ik wel dood en ben ik een van de geesten tegen wie zij praat.’
      Hij maakte een golfslag met zijn wandelstok over het gras.

      ‘In ieder geval is zij een engel.’

       Ik kende alleen maar oude mensen die zeurden en klaagden.

       ‘Wanneer komt je vrouw terug?’ vroeg ik.

       ‘Over een dag of vijf. Hoe lang denk je te blijven?’

       ‘Ik weet het niet.’

       We keken even voor ons uit.

      ‘Niet veel mensen weten het, maar ze heeft deze bomen uit een stil protest geplaatst. De republikeinen hebben nooit een officieel gedenkteken gehad. Dit arboretum is een mausoleum voor de doden uit het dorp.’

       Ik besloot een paar dagen langer te blijven.

De volgende dag bezochten we samen het Moorse kasteel in de omgeving van Soriano. We stonden aan de voet van de berg waarop het kasteel was gebouwd.

       Het was gekkenwerk om het pad naar boven te volgen, het was gekkenwerk om op dit uur van de dag aan de beklimming te beginnen en het was volslagen idioot om op je tachtigste naar boven te willen. William leunde zwaar op z’n wandelstok en op mij. Met m’n vijftig jaar was ik in zijn ogen nog een jonge kerel. Ik keek omhoog tegen de enorme rotswand en het daarop gebouwde kasteel. Ik heb hoogtevrees en ik vermoed dat het niet de hoogte is die me angstig maakt, maar de drang om te springen

       Zwaar hijgend, zo nu en dan rustend, klommen we naar de top. We werden beloond met een uitzicht op het dal dat groener en ruiger was dan de rest van de omgeving en waar de rivier breder en woester was dan in het overige gedeelte van haar loop. Grote rotsblokken staken uit de grond, als kruimels van de berg gerold.

       ‘Ik hou van dit uitzicht,’ zei William, na lang amechtig zwijgen. ‘Het is een van de mooiste plekken die ik in mijn leven heb gezien.’

       Ik veegde het zweet van m’n voorhoofd. ‘We hadden water moeten meenemen,’ zei ik.

       ‘Nu zit je op een van de mooiste plekken die een oude man heeft aanschouwd en het enige wat je kunt zeggen is: We hadden water moeten meenemen.’

       Een kleine verandering in mijn lichaam, moeilijk te omschrijven, maar ik wist wat het betekende; het eerste signaal van een hoofdpijnaanval.

       ‘Als het zo mooi is, waarom zijn we dan niet beneden gebleven, toen waren we er ín en nu kijken we er alleen maar naar.’

       ‘Ken je het verhaal van Juana la Loca, Johanna de Waanzinnige?’ vroeg hij, mij negerend. ‘Een landgenote van je. Ze weigerde haar man Filip de Schone te begraven en trok ’s nachts met het rottend lijk in een praalwagen rond, vergezeld door edelen en priesters. Dat was misschien wel in deze omgeving. Vind je dat niet fascinerend?’

       ‘Wat?’

       ‘Dat ze daar hebben gelopen.’

       ‘Ja. Natuurlijk.’ Ik greep zijn hand beet. ‘En dat wij hier ooit gezeten hebben. Willem de Jager en Frank de Veroveraar.’

       We wandelden over het hof van de burcht, riepen in de kerker en staken onze neus in een schietopening. Ik keek de diepte in en stelde me voor hoe het zou zijn: die paar seconden dat ik zweefde voordat ik te pletter sloeg.

       William beende als een kind over het terrein, het had me niet verbaasd als hij twee speelgoedzwaarden te voorschijn had gehaald.

        ‘Er is altijd die ene laatste dag,’ zei William. ‘De laatste man die met een doodskreet van de kantelen valt.’

       Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Dit tochtje had voor William een andere betekenis dan voor mij. Hij wilde kennelijk het verleden doen herleven. We gingen weer op het rotsblok zitten. Ik raapte een steen op.

       ‘Deze steen zal een getuige onder ons zijn, want hij heeft alles gehoord wat Jaweh met ons heeft besproken.’

       William hield hem tegen zijn oor.

       ‘Wie zwijgt, stemt toe.’

       ‘Of liegt.’

       Hij liet de steen vallen. ‘Weet je iets van de burgeroorlog af?’ vroeg hij.

       ‘Ja, natuurlijk. Niet veel eigenlijk.’

       ‘Ik zal het nooit tegen Ana zeggen, maar de tragiek is dat Spanje dankbaar mag zijn dat Franco de oorlog heeft gewonnen.’

       Ik keek verbaasd op: ‘ Dankbaar ? Is dat het juiste woord?’

       ‘Spanje zou in handen van de Sovjetunie zijn gekomen. Vergelijk het leven in de Oostbloklanden maar eens met hier. Van het communisme genees je minder snel dan van Franco.’

       We keken nog geruime tijd zwijgend en peinzend naar het landschap tot William ernstig zei: ‘Ik droom momenteel veel over vroeger, vaak heldere dromen, maar er zijn symbolen in die ik niet begrijp en die me verwarren. In mijn eerste huwelijk had ik twee dochters. De één heeft zich, toen ze zeventien was, van een brug geworpen en de ander is twee jaar later voor een trein gesprongen. Mijn vrouw en ik hebben nooit gemerkt dat er iets met hen aan de hand was. Het leken normale, gezonde kinderen. Er was geen sprake van extreme spanning, geen liefdesverdriet en toch maakten ze beiden op dezelfde leeftijd een eind aan hun leven.

       Niet lang daarna zijn we gescheiden, we konden elkaar niet meer verdragen en we hebben elkaar nooit meer gezien. Ik ben verhuisd, vliegenier geworden en later beroepsmilitair... Vannacht droomde ik over m’n twee dochters. Ik liep langs een huis waar een party werd gegeven en zag twee mooie vrouwen; mijn dochters Jane en Helen. En weet je wat ik deed? Ik negeerde ze. Jane was blij dat ze me zag en sloeg haar arm om me heen en ik draaide me om. Dat verbijsterde gezicht. Damned . M’n dochters verschijnen na bijna vijftig jaar glashelder in een droom en ik wijs hen af. Begrijp jij daar iets van? Weet je wat ik dacht? Misschien hebben ze daarom wel zelfmoord gepleegd.’

       Ik zweeg.

       We moesten het hele eind nog terug, de bloedvaten in mijn hoofd bonsden. Ik keek in de zon, de pijn tegemoet.

Hoewel ik wist dat geen pil hielp, slikte ik toch pijnstillers en een slaappil. Ik ging op bed liggen, drukte m’n hoofd tegen m’n borst waardoor een scherpe pijn vanuit de nek naar de onderkant van m’n rug trok. Het verzachtte de pijn niet, maar veroorzaakte een nieuwe pijn en die leidde even af. Daarna begon het woelen, het vergeefs zoeken naar een houding die enige verlichting zou brengen. Er was geen hoop meer. Het doodsverlangen kwam en fluisterde, zoals zo vaak, de hele voorraad pillen in één keer in te nemen. Als ik nu voor een afgrond zou staan, zou ik ongetwijfeld springen.

naar boven

 

Tekstidee & Uitvoering Beukelsweg 63 B 3022 GD Rotterdam Tel: +310 477 23 67 Email: Mail ons