|
Onderstaand fragment
is het eerste hoofdstuk uit de roman Verloren Dagen.
Het boek gaat over de Spaanse Burgeroorlog,
met name de onderlinge strijd tussen de communisten en de
leden van de POUM.
Als Frank Veltman
het Spaanse dorpje Sorianos binnenrijdt, loopt Ana de León
het station in. De klokken worden geluid en de wegstervende
galm valt samen met de slag tegen een golfbal van de tachtigjarige
William Hunter. Het is juli 1974. Alles is nog zonder betekenis,
maar dat verandert als Frank het dagboek in handen krijgt
van Willy Jansen, een Nederlandse jongen die zich tijdens
de burgeroolog bij de POUM-milities heeft aangesloten. Langzaam
openbaart de geschiedenis van het dorp en de streek zich voor
Frank Veltman.
1
Spanje,
juli 1974
William
Hunter zwaaide met zijn pet en zette hem voor de grap scheef
op zijn hoofd, maar dat laatste gebaar zag Ana niet. Ze had
zich al omgedraaid, stak de weg over, verdween in de schaduw
van de steeg die uitkwam op het dorpsplein en passeerde daar
de bejaarde mannen die onder de lindebomen zaten. ‘ Buenas
tardes condesa ,’ groetten ze beleefd. In Spanje moet
je doen alsof je geen verleden hebt. Als je haar nakeek, vanaf
het terras van café Doña Pepa bijvoorbeeld, viel je ook niets
op; je kon van haar rug de geschiedenis niet lezen.Toch hadden
drie van hen haar ooit uitgescholden voor rooie teef en hoer.
Op ditzelfde plein, terwijl ze rondliep met een kaalgeschoren
hoofd. ’s Nachts had ze in een donkere cel hun vuisten gevoeld
en, erger nog, hun handen die haar betastten.
Gebeurtenissen
vallen samen, terwijl je er niets van weet. Het zal dus ongeveer
zo gegaan zijn.
Terwijl Ana het station binnenliep, werden de klokken van
Soriano geluid en passeerde ik de oude dorpswal. Vanaf dat
moment maakten zij deel uit van mijn leven. De wegstervende
galm van de klokken viel samen met de eerste slag van William
die dag tegen een golfbal: zzzoef. ‘ Sign of a waisted
life.’
Al generaties lang hingen de leden van de
familie Cesares in de touwen om de dorpelingen met hun gebeier
aan het bestaan van god te herinneren. Voor William Hunter
was deze inspanning vergeefs, hij geloofde niet in god. Lang
had hij beweerd dat hij zèlf het eeuwige leven had en als
je hem zag dan kon hij daar nog wel eens gelijk in hebben
ook. Tachtig was hij en pas de laatste maanden leek de ouderdom
greep op zijn lichaam te krijgen. William was in Portland,
Amerika, geboren. Tien jaar geleden was hij deze camping opgereden
en verliefd geworden op de eigenaresse, de vijfentwintig jaar
jongere Ana. Een gedeelte van het terrein was na hun huwelijk
opgeofferd aan een kleine golfbaan. Vanaf een mat, vlakbij
de woning, sloeg hij de bal met een pitching wedge naar de
green die enkele meters lager lag.
Ik
was voor het eerst alleen op vakantie. Een idee van Renee,
mijn vrouw. Zij was met een vriendin naar Engeland. We waren
bijna vijfentwintig jaar getrouwd en al lang vergeten wat
we ooit gehoopt en geloofd hadden.
Bij de bocht minderde ik vaart. Links van de weg stond een
oud landhuis. Aan de andere kant was een flatgebouw van vier
verdiepingen hoog, dat als een muur de oude dorpskern van
het landgoed afschermde.
Ik parkeerde bij een poort met stenen pilaren. Op de rechter
hing een bordje: camping . Er stonden enkele tenten
op het terrein. Ik liep langs een U -vormig gebouwtje dat
een gezellig terras omsloot en gedeeltelijk door een wingerd
in de schaduw werd gehouden.
William stond bij de oefenmat en ik keek toe vanaf de weg,
die een paar meter lager lag dan de tuin. De bal kwam op minder
dan een meter van de hole terecht.
‘Can I help you sir?’ vroeg hij.
‘Ik weet het niet, u hoort bij de camping?’
‘Jazeker.’
Met zijn club legde hij ondertussen een balletje op de mat.
‘U heeft een mooie slag.’
‘Sign of a waisted life. Speelt u ook?’
‘Een beetje.’
‘That’s fine.’ Ik mocht hem meteen.
Het balletje vloog door de lucht en we keken beiden toe hoe
hij op het gras terechtkwam.
‘Logeert u in het dorp?’
‘Nee, ik kom net aanrijden, m’n auto staat bij de poort.’
‘Bent u alleen?’
‘Ja.’
‘Als u een slaapplaats zoekt en niet te veel luxe verlangt,
we verhuren kamers.’ Hij wees op een sober vierkant bouwwerk
dat rechts van het huis stond.
Ik liep de camping op en gaf hem een hand.
‘Frank Veltman.’
‘William Hunter.’
William riep in het Spaans, met een sterk Amerikaans accent,
een vrouw die bij het terras stond. ‘María zal u verder helpen,’
zei hij. ‘Mijn vrouw beheert normaal de camping, maar ze is
een week naar Barcelona.’
Ik liep achter de kleine vrouw naar de lodge. Waarom liepen
mij voortdurend tandeloze en gebochelde vrouwtjes voor de
voeten? Eén ding had ik mij voorgenomen in deze vakantie;
aan mijn monogamie moest een eind gemaakt worden. Maar vanaf
het begin was dat een kansloze onderneming geweest. Degene
die het begrip Spaanse schone heeft bedacht, moet
wel erg lang alleen op reis zijn geweest.
‘Shower
and toilet in building there,’ zei María en overhandigde me
de sleutel.
Ik zette m’n koffer in de kamer en ging op bed liggen. Als
ik hier drie dagen zou blijven en nog drie dagen in Parijs,
dan kon ik zonder gezichtsverlies op m’n gemak naar Nederland
rijden. Ik deed alles op m’n gemak. Ondanks de onrust in me.
Het is geen pretje iedere dag alleen in een restaurant te
eten; er waren dagen voorbijgegaan dat ik geen woord met iemand
wisselde. Dit was de zwijgzaamste vakantie die ik ooit had
gehad. In de auto neuriede ik dezelfde liedjes die we vroeger
altijd met elkaar op reis zongen. Lara en Ewoud achterin,
zijn vingertjes in m’n nek. Eendje ga je mee, zwemmen
in de zee .
Maar ik had tenminste tijd om na te denken, en daar was het
geloof ik om te doen geweest, al tuimelde bijna iedere gedachte
over hetzelfde: alles wat voorbij was. Soms had ik het gevoel
dat ik vijftien jaar m’n ogen had dichtgehouden.
Buiten sloeg William zijn golfballetjes. ‘ Sign of a waisted
life .’ Die zin bleef in m’n gedachten. De klok luidde
vier keer. Hield hij geen siësta? Het was een aangenaam geluid:
zzzoef, zzzoef. Ik viel in slaap.
Aan
het eind van de middag wandelde ik langs de rivier naar het
dorp en nam op het terras plaats van café Doña Pepa. De schaduw
van de kerk lag op het plein en toen de schaduwklokken 7 keer
bewogen, leek het of het gebeier uit de grond kwam. Ik keek
naar een jong stelletje -ik schatte hen begin twintig- dat
aan het tafeltje naast mij zat. Wat was ik voor jongen toen
ik zo oud was? Het meisje voelde dat ik keek en stuurde mijn
ogen met een ongeïnteresseerde blik weg.
Onder een allee van lindebomen zaten oude mannen op de bankjes.
Wie weet wat ze vroeger uitgespookt hebben, dacht ik. Mensen
vallen altijd tegen. Vooral oude mensen en zeker in Spanje.
Ik bestelde een café con leche en een bocadillo
.
Twee jongens en een meisje zetten een klein harmonium op het
plein neer. Een van hen ging erachter zitten en de ander sloeg
een akkoord op zijn gitaar aan. Het harmonium had een dunne,
maar zuivere klank. Plotseling leek het of de toon werd versterkt,
maar het was de stem van het meisje en iedereen op het plein
werd door haar onschuld gevangen, zoals ze daar stond in haar
witte jurk en met haar armen verlegen langs haar lichaam.
Er liep een oude man voorbij met een lichtgrijs, linnen kostuum
en een witte pet op. Hij begon zachtjes te dansen en hield
een denkbeeldige vrouw in zijn armen. De spiegelglazen van
de zonnebril, voor een man van zijn leeftijd ongewone zonnebril,
glinsterden in de ondergaande zon. Soms is het geluk er ineens.
Ik dacht aan een andere zomer, die van 1950, toen ik Renee
ontmoette en we verliefd raakten. Zesentwintig waren we. In
haar jeugd woonde ze op de grens van Rotterdam en Schiedam.
Ik fietste vaak langs haar huis op weg naar mijn neef die
in Schiedam woonde en bij wie ik speelde. Op een keer zei
ze tegen een vriendin: ‘Met de eerste jongen die nu langsrijdt
trouw ik later.’ Meisjes kunnen leuke gedachten hebben. Misschien
was ik die jongen. We fantaseerden daar graag over en ik weet
niet hoe vaak ze herhaald heeft dat ik vast en zeker die jongen
op die fiets ben geweest. We waren erg verliefd. Maar ook
dat is alweer lang geleden.
Cuantas veces en la orilla te rece
Con
mis besos te decia que te amalra
William
zat onder de denneboom voor zijn huis in het duister op een
half vergane tuinstoel. Met z’n hand onder z’n kin staarde
hij naar de vlag op de green.
Ik liep naar hem toe.
‘Amuseer je je?’ vroeg hij.
‘Ja, ik heb een mooie wandeling langs de rivier gemaakt.’
‘ Muy Bien . Wil je iets drinken? Koffie?’
‘Ja, koffie zou ik wel trek in hebben.’
Ik stak m’n hand uit om William overeind te helpen,
maar die zwaaide z’n benen omhoog en sprong uit de stoel.
Even later kwam hij wankelend terug met twee bekers koffie.
Hij kreunde toen hij ging zitten.
‘Slijtage, zegt de dokter. Op mijn leeftijd, ik ben tachtig,
is alles slijtage.’
‘Waar heb je pijn?’
‘Aan de onderkant van mijn rug.’
‘Maar je kunt wel golfen?’
William glimlachte. ‘Deze ene slag is alles wat over is van
mijn golfspel, maar zolang ik dat kan blijf ik leven.’ Hij
vertelde over de golfweduwen die hij had achtergelaten. Z’n
hoofd schudde soms onwillig als hij naar het juiste woord
zocht. ‘ But little mama likes to play .’ Hij maakte
veel grapjes en lachte piepend vanuit zijn keel. ‘Weet je
waar ik aan dacht, toen je aankwam? Terwijl m’n lichaam aftakelt,
komt m’n jeugd dichterbij, bijna tastbare beelden komen in
me op. Nu zag ik onze lerares Engels die met een mooie grote
hoed op in een rijtuigje rondreed. Op een dag mocht ik naast
haar zitten.’ Hij hield z’n handen voor z’n borst, denkbeeldig
het tuig beethoudend.
De pijn schoot weer door zijn rug.
Hij was ongeveer dertig jaar ouder dan ik, maar bezat meer
levensenergie dan ik ooit had verbruikt. Ik zou dan ook geen
tachtig worden.
‘Zal ik je masseren?’ vroeg ik.
‘Kun je dat? Ben je fysiotherapeut?’
‘Nee, nee, ik ben leraar, maar ik heb, laat ik zeggen verstand
van pijn en misschien kan ik die van jou een beetje verlichten.’
We liepen naar het huis. William trok z’n overhemd uit en
ging op de bank liggen. Ik liet mijn handen over zijn magere
rug glijden en keek de kamer rond. Foto’s van diverse generaties
hingen aan de muur, uit tijden waarin men nog verstijfd naar
het apparaat keek waarin het wonder zich voltrok. William
was hier net zo goed een buitenstaander voor de mensen die
ons vanaf de muur aanstaarden als ik. Het was stil in het
huis. The Old Boys van William Trevor lag op een
stoel.
Little mama likes to play , dacht ik, nog een zin
van William die nagalmde. Ik vond hem een sympathieke man
en hij intrigeerde me. Hij had een zachte, aangename huid,
de oudste huid die ik ooit had aangeraakt.
Mijn
oog viel op een foto die bij de schoorsteen hing en waarop
William met een vrouw stond. Ik liep ernaar toe. ‘Ana,’ zei
hij. ‘Mijn vrouw.’ De foto was voor het huis genomen; William
stond met zijn pet op en een golfclub in zijn hand. Zijn vrouw
was niet veel ouder dan ik. Ik wist niet wat ik zag; ik geloof
niet dat ik ooit zo’n mooie vrouw had gezien. Wat maakte haar
zo bijzonder? Haar ogen, wenkbrauwen, lippen, mond? Die
oude man met zo’n mooie vrouw? Hoe was dat in godsnaam mogelijk?
Ik kon niet naar haar blijven kijken en pakte daarom een andere
foto die op de schoorsteenrand stond, maar bleef met schuine
ogen naar haar staren.
‘Dat zijn de ouders van mijn vrouw,’ zei William achter mijn
rug.
‘Haar vader is tijdens de burgeroorlog overleden. De vrouw
heb ik nog gekend. Ze was tegen ons huwelijk, altijd bang
dat ik haar dochter voorgoed mee naar Amerika zou nemen. De
laatste maanden van haar leven heb ik haar verpleegd, ze was
niet veel ouder dan ik.’
Ik ging weer op de rand van de bank zitten. Achter mijn rug
kraakte de trap die naar de zolder leidde. Het leek alsof
er iemand achter me stond. Het zou de wind wel zijn, of het
huis zelf, toch draaide ik me niet om en voor geen goud zou
ik de trap oplopen.
Later op de avond liet William mij het huis zien. We kwamen
in de slaapkamer waar een foto van zijn vrouw aan de muur
hing. Haar kin rustte, geposeerd, op een halsbontje dat over
haar rechterschouder hing. Ik kon mijn ogen er niet vanaf
houden. William opende een nachtkastje en hield een revolver
in zijn hand. ‘Een Smith & Wesson,’ zei hij trots.
Ik draaide me om.
Die Amerikanen met hun liefde voor wapens.
Het
grote reservoir van de camping stond vol water. William vertelde
dat de vader van Ana het had laten aanleggen. Hij was altijd
bezig geweest met het graven van geulen om water naar zijn
land te geleiden. Water voor zijn bomen. Hoewel hij daar zelf
waarschijnlijk nooit aan had gedacht, was er nu dank zij die
bomen een camping.
‘Ook mijn vrouw is altijd met de grond bezig,’ zei William.
Ben je al in het arboretum geweest dat zij heeft aangelegd?’
Hij wees naar een groep bomen op de heuveltop.
‘Ik
heb trouwens vannacht voor het eerst sinds lange tijd weer
goed geslapen, zonder al te veel pijn.’
‘Als je wilt, masseer ik je vanavond weer.’
‘Graag,’ zei William. Hij zocht steun bij mijn elleboog toen
we de top van de heuvel bereikten. De bodem van het arboretum
was bedekt met mos en gras dat zorgvuldig rond de bomen was
geknipt. Er stonden bordjes bij met naam en herkomst. Een
tulpeboom uit Noord-Amerika, een levensboom, een vaantjesboom
uit China.
‘
She’s got this thing with trees, you know ,’ zei
William.
We naderden een treureik waarvan de takken zich als een zonnescherm
uitspreidden en een cirkel vormden met een doorsnede van een
meter of tien. Een bouwsel van ijzer ondersteunde een onontwarbaar
vlechtwerk van takken. Om de boom heen was een bankje getimmerd,
er stond een gietijzeren tafeltje bij waarop een mand met
gedroogde bloemen.
‘Het is haar heiligdom. De eerste keer dat ik haar zag, stond
ze bij deze boom met een tuinslang in haar hand. Ze praatte
tegen de bomen. Ik zal het nooit vergeten, zoals ze daar stond
in de schemering. En toen ik haar vroeg of ik met mijn busje
op haar camping mocht staan, antwoordde ze, zonder me aan
te kijken, dat er geen plaats was! Dat zei ze, de camping
was nog niet halfvol. Ik was doodmoe van de reis en ze zei
verdomme dat er geen plaats was. Ze had domweg geen zin om
te onderbreken waar ze mee bezig was. Ik deed alsof ik wegging,
maar bleef naar haar staan kijken en ze praatte verder...,
tegen geesten. Het had me niet verwonderd als ze antwoord
had gekregen. Begrijp me goed, ik ben beroepsmilitair geweest
en ik heb veel doden gezien, maar nog nooit een geest. Ik
dacht, dat mens is gek, maar ze sprak zo elegant, ik verstond
geen Spaans, maar het klonk prachtig. God wat vond ik haar
fascinerend. Zeventig was ik en ik werd verliefd. Zomaar.
Nog nooit eerder was me dat zo plotseling overkomen. Op mijn
leeftijd, kun je je dat voorstellen? Je moet verliefd worden
op een vrouw die je afwijst of zelfs kwetst, want zij biedt
je meer dan een vrouw die gelijk aan je is en ze openbaart
de geheimen voor je waar je altijd naar hebt gezocht. Maar
dat bedacht ik toen niet, eerlijk gezegd bedenk ik dat nu
pas.’ Hij lachte.
Verliefd worden op iemand die je afwijst? Dat was nog eens
wat anders dan trouwen met iemand die een betovering uitsprak
op het moment dat je toevallig langs fietste. Hij was tachtig,
maar ik was jaloers op zijn opgeruimde manier van leven en
op die openhartige lach van hem.
‘En welke geheimen zijn je geopenbaard?’
William grinnikte weer. ‘Ik zou je er geen antwoord op kunnen
geven en toch is het waar wat ik zeg. Sommige dingen zou ik
niet begrijpen als ik haar niet had ontmoet. Misschien overdrijf
ik en is het maar een gewone vrouw. Toch denk ik dat ik al
dood was geweest als ik haar niet had. Maar wie weet ben ik
wel dood en ben ik een van de geesten tegen wie zij praat.’
Hij maakte een golfslag met zijn wandelstok
over het gras.
‘In ieder geval is zij een engel.’
Ik kende alleen maar oude mensen die zeurden en klaagden.
‘Wanneer komt je vrouw terug?’ vroeg ik.
‘Over een dag of vijf. Hoe lang denk je te blijven?’
‘Ik weet het niet.’
We keken even voor ons uit.
‘Niet veel mensen weten het, maar ze heeft deze bomen uit
een stil protest geplaatst. De republikeinen hebben nooit
een officieel gedenkteken gehad. Dit arboretum is een mausoleum
voor de doden uit het dorp.’
Ik besloot een paar dagen langer te blijven.
De volgende
dag bezochten we samen het Moorse kasteel in de omgeving van
Soriano. We stonden aan de voet van de berg waarop het kasteel
was gebouwd.
Het was gekkenwerk om het pad naar boven te volgen, het was
gekkenwerk om op dit uur van de dag aan de beklimming te beginnen
en het was volslagen idioot om op je tachtigste naar boven
te willen. William leunde zwaar op z’n wandelstok en op mij.
Met m’n vijftig jaar was ik in zijn ogen nog een jonge kerel.
Ik keek omhoog tegen de enorme rotswand en het daarop gebouwde
kasteel. Ik heb hoogtevrees en ik vermoed dat het niet de
hoogte is die me angstig maakt, maar de drang om te springen
Zwaar hijgend, zo nu en dan rustend, klommen we naar de top.
We werden beloond met een uitzicht op het dal dat groener
en ruiger was dan de rest van de omgeving en waar de rivier
breder en woester was dan in het overige gedeelte van haar
loop. Grote rotsblokken staken uit de grond, als kruimels
van de berg gerold.
‘Ik hou van dit uitzicht,’ zei William, na lang amechtig zwijgen.
‘Het is een van de mooiste plekken die ik in mijn leven heb
gezien.’
Ik veegde het zweet van m’n voorhoofd. ‘We hadden water moeten
meenemen,’ zei ik.
‘Nu zit je op een van de mooiste plekken die een oude man
heeft aanschouwd en het enige wat je kunt zeggen is: We hadden
water moeten meenemen.’
Een kleine verandering in mijn lichaam, moeilijk te omschrijven,
maar ik wist wat het betekende; het eerste signaal van een
hoofdpijnaanval.
‘Als het zo mooi is, waarom zijn we dan niet beneden gebleven,
toen waren we er ín en nu kijken we er alleen maar naar.’
‘Ken je het verhaal van Juana la Loca, Johanna de Waanzinnige?’
vroeg hij, mij negerend. ‘Een landgenote van je. Ze weigerde
haar man Filip de Schone te begraven en trok ’s nachts met
het rottend lijk in een praalwagen rond, vergezeld door edelen
en priesters. Dat was misschien wel in deze omgeving. Vind
je dat niet fascinerend?’
‘Wat?’
‘Dat ze daar hebben gelopen.’
‘Ja. Natuurlijk.’ Ik greep zijn hand beet. ‘En dat wij hier
ooit gezeten hebben. Willem de Jager en Frank de Veroveraar.’
We wandelden over het hof van de burcht, riepen in de kerker
en staken onze neus in een schietopening. Ik keek de diepte
in en stelde me voor hoe het zou zijn: die paar seconden dat
ik zweefde voordat ik te pletter sloeg.
William beende als een kind over het terrein, het had me niet
verbaasd als hij twee speelgoedzwaarden te voorschijn had
gehaald.
‘Er is altijd die ene laatste dag,’ zei William. ‘De laatste
man die met een doodskreet van de kantelen valt.’
Ik wist niet goed wat ik moest zeggen. Dit tochtje had voor
William een andere betekenis dan voor mij. Hij wilde kennelijk
het verleden doen herleven. We gingen weer op het rotsblok
zitten. Ik raapte een steen op.
‘Deze steen zal een getuige onder ons zijn, want hij heeft
alles gehoord wat Jaweh met ons heeft besproken.’
William hield hem tegen zijn oor.
‘Wie zwijgt, stemt toe.’
‘Of liegt.’
Hij liet de steen vallen. ‘Weet je iets van de burgeroorlog
af?’ vroeg hij.
‘Ja, natuurlijk. Niet veel eigenlijk.’
‘Ik zal het nooit tegen Ana zeggen, maar de tragiek is dat
Spanje dankbaar mag zijn dat Franco de oorlog heeft gewonnen.’
Ik keek verbaasd op: ‘ Dankbaar ? Is dat het juiste
woord?’
‘Spanje zou in handen van de Sovjetunie zijn gekomen. Vergelijk
het leven in de Oostbloklanden maar eens met hier. Van het
communisme genees je minder snel dan van Franco.’
We keken nog geruime tijd zwijgend en peinzend naar het landschap
tot William ernstig zei: ‘Ik droom momenteel veel over vroeger,
vaak heldere dromen, maar er zijn symbolen in die ik niet
begrijp en die me verwarren. In mijn eerste huwelijk had ik
twee dochters. De één heeft zich, toen ze zeventien was, van
een brug geworpen en de ander is twee jaar later voor een
trein gesprongen. Mijn vrouw en ik hebben nooit gemerkt dat
er iets met hen aan de hand was. Het leken normale, gezonde
kinderen. Er was geen sprake van extreme spanning, geen liefdesverdriet
en toch maakten ze beiden op dezelfde leeftijd een eind aan
hun leven.
Niet lang daarna zijn we gescheiden, we konden elkaar niet
meer verdragen en we hebben elkaar nooit meer gezien. Ik ben
verhuisd, vliegenier geworden en later beroepsmilitair...
Vannacht droomde ik over m’n twee dochters. Ik liep langs
een huis waar een party werd gegeven en zag twee mooie vrouwen;
mijn dochters Jane en Helen. En weet je wat ik deed? Ik negeerde
ze. Jane was blij dat ze me zag en sloeg haar arm om me heen
en ik draaide me om. Dat verbijsterde gezicht. Damned
. M’n dochters verschijnen na bijna vijftig jaar glashelder
in een droom en ik wijs hen af. Begrijp jij daar iets van?
Weet je wat ik dacht? Misschien hebben ze daarom wel zelfmoord
gepleegd.’
Ik zweeg.
We moesten het hele eind nog terug, de bloedvaten in mijn
hoofd bonsden. Ik keek in de zon, de pijn tegemoet.
Hoewel
ik wist dat geen pil hielp, slikte ik toch pijnstillers en
een slaappil. Ik ging op bed liggen, drukte m’n hoofd tegen
m’n borst waardoor een scherpe pijn vanuit de nek naar de
onderkant van m’n rug trok. Het verzachtte de pijn niet, maar
veroorzaakte een nieuwe pijn en die leidde even af. Daarna
begon het woelen, het vergeefs zoeken naar een houding die
enige verlichting zou brengen. Er was geen hoop meer. Het
doodsverlangen kwam en fluisterde, zoals zo vaak, de hele
voorraad pillen in één keer in te nemen. Als ik nu voor een
afgrond zou staan, zou ik ongetwijfeld springen.
naar
boven |