Tekstbureau Idee & Uitvoering

Voorbeelden

Onder deze links vindt u verschillende voorbeelden van onze teksten.

Toespraak voor een jarige

Begrafenistoespraak voor een vader

Herinneringen van een oud-rechercheur

Fragment uit Coby, mijn zusje

Impressie van een reis

Herinneringen aan een oom

Dachau

Verloren Dagen

Reina Prinsen Geerligs

Brochure Ruud Visser

Toerist in eigen stad

Onderstaand fragment is afkomstig uit het boek:' Met een kladblok en een afgekloven potlood'. De opkomst van de CID bij de Rotterdamse politie. In opdracht van Theo Buis geschreven.

 

12

De tegenwerking van commissaris Blaauw

Al die jaren dat ik met Henk Groenendijk en later met Henk Bosch bij de CID heb gewerkt, heb ik weinig medewerking, en dat is een eufemisme, ondervonden van Commissaris Blaauw. Ik denk dan ook met weinig plezier aan hem terug. We vonden hem een streber. Hij gedroeg zich populair in de media en liet zich graag met bekende figuren van de FBI fotograferen, maar bij zijn collega’s was hij weinig geliefd. Hij moest niets van de CID hebben en keurde de manier af waarop wij met criminelen omgingen. Hij communiceerde echter nooit direct met ons, dat stoorde ons nog het meest.

In het prille begin van mijn CID periode had ik de eerste ervaring met hem, waarbij hij voor mij door de mand viel. Huib Peet, een ouderwetse rechercheur, en ik waren bezig met het afluisteren van een bende containerdieven. We hadden uit de gesprekken begrepen dat de overdracht van een container omstreeks twaalf uur in de nacht zou plaatsvinden. Blaauw had gevraagd hem thuis te bellen als het ging gebeuren.

        Huib Peet belde dan ook onmiddellijk toen we doorkregen dat de overdracht inderdaad zou plaatsvinden. Blaauw luisterde de band af en trok zich terug in zijn kamer. We hadden hem verteld wat de beste manier van handelen was. Het tijdstip van twaalf uur naderde en Blaauw bleef maar op zijn kamer. Ik zei tegen Huib Peet dat hij hem moest gaan waarschuwen, omdat we te laat zouden zijn. Huib durfde echter niet, waarop ik naar zijn kamer ging en op mijn horloge wijzend vertelde dat we snel moesten handelen. Hij kwam er zo aan, was het antwoord.

        Ruim twintig minuten later kwam Blaauw met een plan, hetzelfde als van ons, alleen verpakt met een mooie strik erom heen, maar de tijd was verstreken in het voordeel van de containerdieven en wij hadden voor lul gezeten.

       

Omdat hij vat op ons werk wilde krijgen stelde hij een blacklist samen van informanten, die wij niet meer mochten gebruiken. Wat zijn richtlijnen waren, wist niemand.

        Op die lijst stond bijvoorbeeld een informant, voor wie het mes weliswaar aan twee kanten sneed, die bijzonder nuttig voor ons was. Hij had de Belgische politie geïmponeerd en ze op een gruwelijke manier in de maling genomen, daar is zelfs een boekje over geschreven, het zogenaamde proces François. Blaauw wist dat die man ook een informant van ons was en zette hem daarom op de zwarte lijst. Dat vertelde hij niet tegen ons, maar tegen anderen, zoals commissaris De Winter, Van Giezen en Koolwijk, die moesten maar met ons aan tafel gaan zitten.

        Ik zei: ‘Jullie kunnen me ontslaan, maar ik ga gewoon met hem door. Ik begrijp niet waarom jullie je door Blaauw als loopjongen laten gebruiken. Kijk, dat hij een slecht mens is, is duidelijk, maar ik heb meer aan hem, dan aan de pastoor. Die vent heeft ons alleen maar correcte informatie gegeven, dus krijg het lazarus maar.’

       

Blaauw had er geen verstand van. Het was ons vak, zo arrogant ben ik wel. Hij is daar nooit op teruggekomen. Maar hij liet ook nooit iets blijken. Als we hem tegenkwamen groette hij ons gewoon, dat heeft me altijd verbaasd. Hij wist natuurlijk ook wel dat hij niet helemaal thuis was op dat terrein en kon er geen sturing aan geven. Zo zijn er diverse affaires met hem geweest, waarbij hij voortdurend de zaak traineerde. Het blijft een raadsel voor mij dat Blaauw zo’n carrière heeft gemaakt, want binnen het corps, en zeker ook daarbuiten, kreeg hij weinig waardering. Men zei wel eens: ‘Hij denkt de superspeurder van Europa te zijn, maar zit op het niveau van Bromsnor.’

        Ook bij de Bangkok affaire heeft hij een storende rol vervuld. Hij had altijd kreten van: Afblazen die handel, niets mee te maken hebben. Daarmee zette hij ons en de CRI als kleine jongens weg. Er viel niet over te discussiëren. Ik heb wel de indruk dat hij een andere houding had aangenomen als hij persoonlijk succes met deze affaire had kunnen oogsten.

        Omdat hij ons zo tegenwerkte hebben we veel zaken in andere gemeenten laten klappen. Tegen ons zei hij daar nooit iets over, wel deed hij zijn beklag bij de adjudant Haaksema.

       

De volgende gebeurtenis is typerend voor de houding van Blaauw. Een zekere Piet, een lorrenboer en een scharrelaar eerste klas, had in IJsselmonde hoofdinspecteur Postma benaderd. Hij zei dat er bij hem veel mensen met gestolen spullen langskwamen en dat hij wel iets voor de politie wilde doen. Postma schoof dat aan Blaauw door, die liet ons op zijn bureau komen en zei heel gewichtig dat hij een informant aan ons wilde overdragen. ‘Ik heb met hem gesproken. Het lijkt mij wel een geschikte gozer. Ik heb een afspraak voor jullie gemaakt. Jullie kunnen hem nu van mij overnemen, maar wees voorzichtig, want je weet maar nooit. Je moet alles letterlijk opschrijven wat hij vertelt.’ Dat soort onzin. Wij gingen zijn kamer uit en lagen in een deuk.

        Een paar dagen later maakten we een afspraak met Piet. Hij woonde in een oude caravan in de buurt van IJsselmonde. Een simpele ziel. Hij zei: ‘Ik ben niet de eerste de beste, die Blaauw is door mij commissaris geworden.’

        Dat gaf wel aan wat voor een man hij was en het liet ook zien dat Blaauw niet het vermogen had mensen goed in te schatten.  

        Die ouwe lorrenboer zei dat als we hem wilden spreken, we eerst één keer moesten toeteren en na vijf minuten nog drie keer, dan wist hij dat de kust veilig was.

        Wij dachten: laat maar gaan, want ook een gek kan zinnige dingen vertellen. Hij had wel tips. Hij wees ons op een partij tapijten. Ergens in de buurt van Oss was een grote kraak geweest, dus we zijn daar een actie op gestart, waarbij we alle medewerking van een oud-collega kregen.

Op een morgen zaten Henk en ik koffie te drinken in de Cosey   Corner, in gezelschap van aantal hasjhandelaren. Op een gegeven moment stapte één van hen op en zei gekscherend: ‘Kom ik ga, Blaauw zit op mij te wachten want hij krijgt nog geld van me.’

        Toen Henk en ik terug naar het bureau liepen, kwam bij ons het idee op om langs Blaauw te gaan en hem het geintje te vertellen. Tot onze verbazing ontplofte hij bijna en het scheelde weinig of hij had de ME erop afgestuurd om die kerel te arresteren. We hadden moeite hem ervan te overtuigen dat het een penoze geintje was en dat hij zich niet zo druk moest maken, maar dat inzicht had hij niet.

        Ook heeft hij ons en de collega’s van de post- en volgploeg een keer grote schrik bezorgd. Bij de CID was informatie binnengekomen over een omvangrijk heroïnetransport vanuit China naar Rotterdam.

        De heroïne zat verstopt in een container, waarvan de lading nauwelijks enige waarde had. Daardoor was dan ook het vermoeden gerezen dat de zaak niet klopte. Er werd actie ondernomen en de bewuste container werd door een politieman opgehaald om vervoerd te worden naar een pakhuis in Rotterdam, waar hij overgenomen zou worden door een paar Chinezen. Tot verbazing van alle politiemensen liep Blaauw, samen met Nico van Dorp een hoofdinspecteur van de recherche, in de omgeving van het pakhuis te flaneren. Beiden gekleed in regenjas en voor iedereen overduidelijk twee overheidsdienaren. Omdat Blaauw via de media inmiddels een bekende politieman was geworden, waren we doodsbang dat hij herkend zou worden. Gelukkig verliep alles vlekkeloos en werd de partij heroïne in beslag genomen en een aantal Chinezen gearresteerd.  

Ook in de volgende zaak heb ik grote problemen met Blaauw gehad.

        Johan, een slimme jongen, had een plan bedacht om via valse overboekingen bij de bank veel geld te verdienen. Hij stortte geld op rekeningen van diverse lui, die daarvoor speciaal een rekening hadden geopend. Iemand bij de bank deed het werk. Maar het was zo’n project dat uiteindelijk vast moest lopen. Een aantal van zijn vrienden ontsprong de dans. Ook Johan vluchtte, maar hij belde me iedere dag. Ik zei dat het zo toch geen leven voor hem en zijn vrouw en kinderen was en dat hij zich beter kon aangeven. Uiteindelijk stemde hij toe. Hij wilde zich op woensdag aangeven, zodat hij niet de hele week op het bureau hoefde te verblijven. Hij vroeg of hij dinsdag naar zijn huis kon gaan, zonder dat ze hem zouden oppikken.

        Ik maakte de afspraak met de collega’s van fraude dat ik hem woensdag zou brengen. Op woensdagmorgen reed ik naar zijn huis, waar hij op me wachtte met een koffertje in zijn hand. Ik bracht hem naar het Sandelingenplein, waar de afdeling fraude zat, en zei tegen de adjudant Jo Verbeek: ‘Ik heb een lifter meegenomen, je zoekt het verder maar uit.’ Maar op de een of andere manier hebben ze het administratief niet correct afgehandeld, waardoor hij twee keer dertig dagen werd vastgehouden, zijnde vluchtgevaarlijk. Daartegen ging hij in hoger beroep.

        In die tussentijd begon het volgende te spelen. Hij vroeg mij te spreken en vertelde dat er in de gevangenis door een bewaarder werd gedeald. We spraken af dat hij mij zou bellen als de bewaarder betrapt zou kunnen worden. Hij durfde echter niet gewoon vanuit de gevangenis te bellen, omdat hij betrapt zou kunnen worden, dus hij wilde dat vanuit de kamer van de directeur doen. Daarvoor kreeg ik toestemming van de officier van justitie.

        De volgende dag werd ik door zijn advocaat gebeld, mr. Le Cocq-d’Armandville,   en die zei dat Johan in hoger beroep moest voorkomen. Hij vroeg mij of ik wilde bevestigen dat Johan zichzelf had aangegeven, zodat hij het vluchtgevaarlijk kon laten schrappen. Ik vond dat ik hem dat verschuldigd was, dus ik ging naar de zitting toe.

        Terwijl ik daar wachtte, kwam de advocaat met een rood hoofd naar me toe en zei dat de pleuris was uitgebroken. De procureur generaal, mr. P. A. H. Bosch, we noemden hem Pa Bosch, was woedend dat ik een goed woordje voor een gevangene wilde doen. Ik probeerde nog uit te leggen dat ik geen goed woordje kwam doen, maar slechts wilde bevestigen dat Johan zich vrijwillig had aangegeven.

        Het Hof liet Johan meteen vrij. Maar die Pa Bosch stapte ’s avonds in de trein en wie zit er naast hem: Blaauw. Bosch begon meteen te piepen, waarop Blauw de volgende dag naar de afdeling   fraude stapte en over mij begon te foeteren. ‘Wij zorgen dat die gangsters in de bak komen en die Buis haalt ze er weer uit.’

Het heeft me wel enig schrijfwerk gekost om de zaak recht te zetten. Bovendien slaagden we erin de bewaarder op heterdaad te betrappen.  

Door Blaauw heb ik ook problemen gekregen met een zekere Bep. Bep was een goede informant. Hij kwam van het platteland en was in Rotterdam in het milieu terechtgekomen. Zijn specialiteit was inbreken op schepen. Hij was opkoper te water, een echte scharrelaar. Omdat hij een bekende van de rivierpolitie was nam hij de buit nooit van boord, maar verstopte die. Vervolgens reed hij het schip achterna en haalde de handel in Antwerpen of Bremen van boord.

       

Hij vertelde ons dat hij was gevraagd om hasj van een schip te halen. We spraken af dat hij ons zou bellen wanneer de vracht arriveerde. Het bleek echter al gauw dat ook de rivierpolitie en de douane daarvan op de hoogte waren. Ik kon dat natuurlijk niet aan Bep vertellen, omdat de kans bestond dat hij die informatie zou doorgeven. Dus toen hij belde deed ik alsof mijn neus bloedde, maar ik vond dat we hem wel het tipgeld moesten betalen. Blaauw wilde daar echter niets van weten. ‘Ik ga niet betalen voor informatie die ik niet heb gebruikt,’ zei hij. Hij wilde niet begrijpen hoe gecompliceerd de situatie was en hoe belangrijk het was de relatie met een tipgever in stand te houden.

       

Ik kon niets anders doen dan Bep vertellen dat hij geen geld kreeg. Hij was woedend, maar hij geloofde me op mijn woord. Later werd hij tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij ging in hoger beroep en vroeg mij of ik de procureur van het gerechtshof wilde vertellen dat hij als tipgever voor de politie had gewerkt. Dat deed ik, maar de procureur zei: ‘Ik kan toch niet zomaar strafvermindering geven.’ Ik antwoordde dat ik alleen maar deed wat Bep mij had gevraagd. De uitspraak werd uiteindelijk één jaar. Heeft hij toch gelobbyd voor strafvermindering. Bep was mij heel dankbaar.     

Terug naar voorbeelden

Tekstidee & Uitvoering Beukelsweg 63 B 3022 GD Rotterdam Tel: +310 477 23 67 Email: Mail ons